Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:3092
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
7,706 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/430434 / FA RK 24-6151
Datum uitspraak: 10 februari 2025
Beschikking van de rechtbank over de voogdij
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
Locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de oom]
hierna te noemen de oom van de minderjarigen,
tevens de beoogd voogd,
wonende in [woonplaats 2] ,
de gecertificeerde instelling DE STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
thans belast met de voorlopige voogdij over de minderjarigen.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 december 2024;
de beschikking van deze rechtbank van 30 oktober 2024 met zaaknummer C/02/428072 / FA RK 24-4989.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de oom;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De schoonzus van de vader heeft telefonisch laten weten dat de vader niet aanwezig zal zijn bij de mondelinge behandeling.
1.4.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
Uit de beschikking van 30 oktober 2024 (C/02/428072 / FA RK 24-4989) blijkt het volgende. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader in de onmogelijkheid verkeerde om het gezag over [minderjarige 1] uit te oefenen en dat zijn gezag van rechtswege geschorst is. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat ook de moeder in de onmogelijkheid verkeerde om het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit te oefenen. Op verzoek van de Raad heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geschorst. Als gevolg van deze beslissingen ontstond er ten aanzien van beide minderjarigen een gezagsvacuüm, in een periode dat er veel beslissingen over hen genomen moesten worden. Met het oog hierop heeft de rechtbank de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 22 januari 2025.
2.2.
De moeder heeft op 18 oktober 2024 een aantekening laten opnemen in het gezagsregister van de minderjarigen, waarmee zij de oom van de minderjarigen (en vervolgens [naam]) heeft aangewezen om na haar overlijden de voogdij over de minderjarigen uit te oefenen (artikel 1:292, eerste lid, BW en artikel 1:244 BW).
2.3.
De moeder van de minderjarigen is op 31 oktober 2024 overleden.
2.4.
Op 27 december 2024 heeft de Raad verzocht om de oom van de minderjarigen tot voogd te benoemen, waardoor de voorlopige voogdij van de GI nog voortduurt tot op het onderhavige verzoek is beslist.
2.5.
Oom van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft zich bij brief van 9 december 2024 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
2.6.
De vader heeft de Turkse nationaliteit. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de oom hebben de Nederlandse nationaliteit.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt op grond van 1:253g lid 1 jo lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), [de oom] , geboren op [geboortedag 3] 1984 te [geboorteplaats 2], te belasten met de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad baseert het verzoek op het volgende. De moeder van de minderjarigen is na een kort ziekbed op 31 oktober 2024 overleden. Voorafgaand aan haar overlijden, heeft de moeder de rechtbank bij provisioneel verzoek verzocht te bepalen dat het gezag van de vader geschorst is en dat de rechtbank een bijzondere curator aanstelt voor de minderjarigen. Zij heeft daarbij de wens uitgesproken dat haar broer met de voogdij over de minderjarigen belast moet worden. De moeder wil dat de minderjarigen na haar overlijden in de huidige woning blijven wonen en dat de oma van de minderjarigen de dagelijkse zorg over hen draagt.
4.2.
Volgens de Raad wil de vader de wensen van de moeder opvolgen en vindt hij het in het belang van de minderjarigen dat de oom van de minderjarigen belast wordt met de voogdij over de minderjarigen. De Raad heeft geen zorgen over de huidige opvoedsituatie van de minderjarigen, waarin de dagelijkse verzorging van de minderjarigen door de oma, oom en tante is overgenomen. De verzorgers proberen ervoor te zorgen dat het leven van de minderjarigen zo min mogelijk ontwricht raakt. Zij zorgen voor continuïteit in de zorg en opvoeding en onderhouden de contacten met de scholen, woningbouwvereniging en de GI. De samenwerking tussen de verzorgers verloopt volgens de Raad positief. De Raad vindt het belangrijk dat er in de komende periode met de minderjarigen wordt gewerkt aan het omgaan met hun emoties na het verlies van de moeder, het wennen aan de nieuwe situatie, maar ook het doorgaan met hun eigen groei en ontwikkeling. Volgens de Raad biedt de huidige situatie [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de stabiliteit die zij nodig hebben, om de komende periode zo goed mogelijk te doorlopen.
4.3.
De vader is volgens de Raad al jaren niet betrokken bij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De vader is niet bereid om de Raad inzicht te geven in zijn persoonlijke situatie. Volgens de vader heeft hij sinds het overlijden van de moeder dagelijks contact met de minderjarigen. Volgens de Raad is het geen optie dat de vader wordt belast met het gezag over de minderjarigen, omdat er onvoldoende zicht is gekomen op zijn persoonlijke situatie. De vader ondersteunt bovendien de wens van de moeder om de oom te belasten met de voogdij over de minderjarigen. Volgens de Raad is het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat hun oom met de voogdij over hen wordt belast. De oom is een voor de minderjarigen vertrouwd persoon, die de regie voert over hun opvoeding en verzorging, die goed samenwerkt met tante en oma en die het belang van de minderjarigen daarbij steeds voorop zal stellen. Ook de vader en de GI staan achter het besluit van de Raad. De Raad heeft niet overwogen om voor de vader een gezagsbeëindigende maatregel te vragen, omdat de rechtbank heel helder is geweest over zijn positie in de beschikking van 30 oktober 2024 met zaaknummer C/02/428072 / FA RK 24-4989.
4.4.
Namens de GI is naar voren gebracht dat de minderjarigen door hun familie liefdevol en met warmte worden omarmd. Hierdoor loopt de verzorging en de opvoeding van de minderjarigen vloeiend door. Het is mooi dat de minderjarigen binnen hun familie worden opgevangen.
4.5.
De oom heeft verklaard dat hij bereid is om de voogdij over de minderjarigen te aanvaarden. Hij vindt het fijn dat de minderjarigen door het hechte gezin kunnen worden opgevangen. De oom ziet de minderjarigen als zijn kinderen en dat zal ook altijd zo blijven.
Beoordeling
Internationaal Privaatrecht
5.1.
Aangezien de vader niet de Nederlandse nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. De rechtbank dient daarom ambtshalve vast te stellen of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het verzoek en welk recht van toepassing is op het verzoek.
5.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd kennis te nemen van het verzoek, aangezien de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben (artikel 7 lid 1 Brussel IIter Verordening). Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlandse recht van toepassing (Artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).
Beoordeling
5.3.
De rechtbank is verzocht om zich uit te laten over een definitieve gezagsvoorziening over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.4.
Ingevolge artikel 1:253g BW kan de rechter ambtshalve bepalen dat, indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kind alleen uitoefent, de overlevende ouder of een derde met het gezag over het kind wordt belast. De overlevende ouder heeft in dit geval een voorkeurspositie.
5.5.
De moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft, bij leven en welzijn, op 18 oktober 2024 een aantekening laten opnemen in het gezagsregister, waarmee zij de oom als beoogd voogd heeft aangewezen om na haar overlijden de voogdij over de minderjarigen uit te oefenen (artikel 1:292, eerste lid, BW en art. 1:244 BW).
5.6.
Deze aanwijzing leidt niet automatisch tot de verplichting om ook daadwerkelijk op de door de moeder voorgestane wijze in de voogdij te voorzien. Om de voogdij te aanvaarden moet de aangewezen persoon de voogdij aanvaarden door het afleggen van een verklaring bij de rechtbank. De oom heeft schriftelijk op 9 december 2024 en tevens tijdens de mondelinge behandeling van 5 februari 2025 zich bereid verklaard om de voogdij over de minderjarigen te aanvaarden.
5.7.
De rechtbank stelt vast dat de Raad een uitgebreid advies heeft uitgebracht over de vraag wie in zijn optiek belast dient te worden met het gezag/de voogdij over de minderjarigen. Daarbij heeft de Raad ook gekeken naar de optie om de vader met het gezag te belasten. Kort samengevat heeft de Raad verklaard dat het belang van de minderjarigen zich ertegen verzet dat vader met het gezag over hen wordt belast. Uit het onderzoek van de Raad is gebleken dat de vader al lange tijd niet betrokken is bij de zorg en opvoeding van de minderjarigen. Hij is niet bereid gebleken om de Raad inzicht te geven in zijn persoonlijke situatie. De vader heeft tegenover de Raad aangegeven dat hij berust in de wens van de moeder. Hij vindt het in het belang van de minderjarigen dat de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarigen wordt gedragen door de oom, de tante en de oma van de minderjarigen. Met het oog hierop is het volgens de Raad geen reële optie om de vader van de minderjarigen (weer) te belasten met het gezag over hen.
5.8.
De Raad heeft de rechtbank verzocht om de oom met de voogdij over de minderjarigen te belasten. De rechtbank overweegt dat dit ook de wens is van de moeder die zij heeft laten aantekenen in het gezagsregister. Deze wens wordt ook door de minderjarigen ondersteund. De Raad heeft in haar advies mee laten wegen dat de oom altijd bij minderjarigen betrokken is geweest en hij is voor de minderjarigen een vertrouwd persoon. De rechtbank kan het advies van de Raad onderschrijven en acht het benoemen van de oom tot voogd over de minderjarigen onder de huidige omstandigheden het meest in hun belang. Dit betekent dat het verzoek van de Raad zal worden toegewezen.
5.9.
De kinderrechter wil een woord richten aan de oom en tante van de minderjarigen. De kinderrechter wil de oom en tante oprecht complimenteren met de manier waarop zij met deze moeilijke situatie zijn omgegaan. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] hebben in hen betrokken, liefdevolle voogden gevonden die hen door deze moeilijke en turbulente periode kunnen en zullen leiden. Daarnaast wil de kinderrechter zich ook tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] richten. Jullie zijn enorme moedige kinderen die in staat zijn om deze lastige en emotionele tijd te doorstaan. De kinderrechter wenst alle familieleden het beste toe voor de toekomst.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5.11.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
benoemt [de oom] , geboren op [geboortedag 3] 1984 te [geboorteplaats 2], tot voogd over:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 te [geboorteplaats 1] ;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Joosen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/430434 / FA RK 24-6151
Datum uitspraak: 10 februari 2025
Beschikking van de rechtbank over de voogdij
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
Locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de oom]
hierna te noemen de oom van de minderjarigen,
tevens de beoogd voogd,
wonende in [woonplaats 2] ,
de gecertificeerde instelling DE STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
thans belast met de voorlopige voogdij over de minderjarigen.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 december 2024;
de beschikking van deze rechtbank van 30 oktober 2024 met zaaknummer C/02/428072 / FA RK 24-4989.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de oom;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De schoonzus van de vader heeft telefonisch laten weten dat de vader niet aanwezig zal zijn bij de mondelinge behandeling.
1.4.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
Uit de beschikking van 30 oktober 2024 (C/02/428072 / FA RK 24-4989) blijkt het volgende. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader in de onmogelijkheid verkeerde om het gezag over [minderjarige 1] uit te oefenen en dat zijn gezag van rechtswege geschorst is. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat ook de moeder in de onmogelijkheid verkeerde om het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit te oefenen. Op verzoek van de Raad heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geschorst. Als gevolg van deze beslissingen ontstond er ten aanzien van beide minderjarigen een gezagsvacuüm, in een periode dat er veel beslissingen over hen genomen moesten worden. Met het oog hierop heeft de rechtbank de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 22 januari 2025.
2.2.
De moeder heeft op 18 oktober 2024 een aantekening laten opnemen in het gezagsregister van de minderjarigen, waarmee zij de oom van de minderjarigen (en vervolgens [naam]) heeft aangewezen om na haar overlijden de voogdij over de minderjarigen uit te oefenen (artikel 1:292, eerste lid, BW en artikel 1:244 BW).
2.3.
De moeder van de minderjarigen is op 31 oktober 2024 overleden.
2.4.
Op 27 december 2024 heeft de Raad verzocht om de oom van de minderjarigen tot voogd te benoemen, waardoor de voorlopige voogdij van de GI nog voortduurt tot op het onderhavige verzoek is beslist.
2.5.
Oom van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft zich bij brief van 9 december 2024 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
2.6.
De vader heeft de Turkse nationaliteit. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de oom hebben de Nederlandse nationaliteit.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt op grond van 1:253g lid 1 jo lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), [de oom] , geboren op [geboortedag 3] 1984 te [geboorteplaats 2], te belasten met de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad baseert het verzoek op het volgende. De moeder van de minderjarigen is na een kort ziekbed op 31 oktober 2024 overleden. Voorafgaand aan haar overlijden, heeft de moeder de rechtbank bij provisioneel verzoek verzocht te bepalen dat het gezag van de vader geschorst is en dat de rechtbank een bijzondere curator aanstelt voor de minderjarigen. Zij heeft daarbij de wens uitgesproken dat haar broer met de voogdij over de minderjarigen belast moet worden. De moeder wil dat de minderjarigen na haar overlijden in de huidige woning blijven wonen en dat de oma van de minderjarigen de dagelijkse zorg over hen draagt.
4.2.
Volgens de Raad wil de vader de wensen van de moeder opvolgen en vindt hij het in het belang van de minderjarigen dat de oom van de minderjarigen belast wordt met de voogdij over de minderjarigen. De Raad heeft geen zorgen over de huidige opvoedsituatie van de minderjarigen, waarin de dagelijkse verzorging van de minderjarigen door de oma, oom en tante is overgenomen. De verzorgers proberen ervoor te zorgen dat het leven van de minderjarigen zo min mogelijk ontwricht raakt. Zij zorgen voor continuïteit in de zorg en opvoeding en onderhouden de contacten met de scholen, woningbouwvereniging en de GI. De samenwerking tussen de verzorgers verloopt volgens de Raad positief. De Raad vindt het belangrijk dat er in de komende periode met de minderjarigen wordt gewerkt aan het omgaan met hun emoties na het verlies van de moeder, het wennen aan de nieuwe situatie, maar ook het doorgaan met hun eigen groei en ontwikkeling. Volgens de Raad biedt de huidige situatie [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de stabiliteit die zij nodig hebben, om de komende periode zo goed mogelijk te doorlopen.
4.3.
De vader is volgens de Raad al jaren niet betrokken bij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De vader is niet bereid om de Raad inzicht te geven in zijn persoonlijke situatie. Volgens de vader heeft hij sinds het overlijden van de moeder dagelijks contact met de minderjarigen. Volgens de Raad is het geen optie dat de vader wordt belast met het gezag over de minderjarigen, omdat er onvoldoende zicht is gekomen op zijn persoonlijke situatie. De vader ondersteunt bovendien de wens van de moeder om de oom te belasten met de voogdij over de minderjarigen. Volgens de Raad is het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat hun oom met de voogdij over hen wordt belast. De oom is een voor de minderjarigen vertrouwd persoon, die de regie voert over hun opvoeding en verzorging, die goed samenwerkt met tante en oma en die het belang van de minderjarigen daarbij steeds voorop zal stellen. Ook de vader en de GI staan achter het besluit van de Raad. De Raad heeft niet overwogen om voor de vader een gezagsbeëindigende maatregel te vragen, omdat de rechtbank heel helder is geweest over zijn positie in de beschikking van 30 oktober 2024 met zaaknummer C/02/428072 / FA RK 24-4989.
4.4.
Namens de GI is naar voren gebracht dat de minderjarigen door hun familie liefdevol en met warmte worden omarmd. Hierdoor loopt de verzorging en de opvoeding van de minderjarigen vloeiend door. Het is mooi dat de minderjarigen binnen hun familie worden opgevangen.
4.5.
De oom heeft verklaard dat hij bereid is om de voogdij over de minderjarigen te aanvaarden. Hij vindt het fijn dat de minderjarigen door het hechte gezin kunnen worden opgevangen. De oom ziet de minderjarigen als zijn kinderen en dat zal ook altijd zo blijven.
Beoordeling
Internationaal Privaatrecht
5.1.
Aangezien de vader niet de Nederlandse nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. De rechtbank dient daarom ambtshalve vast te stellen of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het verzoek en welk recht van toepassing is op het verzoek.
5.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd kennis te nemen van het verzoek, aangezien de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben (artikel 7 lid 1 Brussel IIter Verordening). Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlandse recht van toepassing (Artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).
Beoordeling
5.3.
De rechtbank is verzocht om zich uit te laten over een definitieve gezagsvoorziening over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.4.
Ingevolge artikel 1:253g BW kan de rechter ambtshalve bepalen dat, indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kind alleen uitoefent, de overlevende ouder of een derde met het gezag over het kind wordt belast. De overlevende ouder heeft in dit geval een voorkeurspositie.
5.5.
De moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft, bij leven en welzijn, op 18 oktober 2024 een aantekening laten opnemen in het gezagsregister, waarmee zij de oom als beoogd voogd heeft aangewezen om na haar overlijden de voogdij over de minderjarigen uit te oefenen (artikel 1:292, eerste lid, BW en art. 1:244 BW).
5.6.
Deze aanwijzing leidt niet automatisch tot de verplichting om ook daadwerkelijk op de door de moeder voorgestane wijze in de voogdij te voorzien. Om de voogdij te aanvaarden moet de aangewezen persoon de voogdij aanvaarden door het afleggen van een verklaring bij de rechtbank. De oom heeft schriftelijk op 9 december 2024 en tevens tijdens de mondelinge behandeling van 5 februari 2025 zich bereid verklaard om de voogdij over de minderjarigen te aanvaarden.
5.7.
De rechtbank stelt vast dat de Raad een uitgebreid advies heeft uitgebracht over de vraag wie in zijn optiek belast dient te worden met het gezag/de voogdij over de minderjarigen. Daarbij heeft de Raad ook gekeken naar de optie om de vader met het gezag te belasten. Kort samengevat heeft de Raad verklaard dat het belang van de minderjarigen zich ertegen verzet dat vader met het gezag over hen wordt belast. Uit het onderzoek van de Raad is gebleken dat de vader al lange tijd niet betrokken is bij de zorg en opvoeding van de minderjarigen. Hij is niet bereid gebleken om de Raad inzicht te geven in zijn persoonlijke situatie. De vader heeft tegenover de Raad aangegeven dat hij berust in de wens van de moeder. Hij vindt het in het belang van de minderjarigen dat de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarigen wordt gedragen door de oom, de tante en de oma van de minderjarigen. Met het oog hierop is het volgens de Raad geen reële optie om de vader van de minderjarigen (weer) te belasten met het gezag over hen.
5.8.
De Raad heeft de rechtbank verzocht om de oom met de voogdij over de minderjarigen te belasten. De rechtbank overweegt dat dit ook de wens is van de moeder die zij heeft laten aantekenen in het gezagsregister. Deze wens wordt ook door de minderjarigen ondersteund. De Raad heeft in haar advies mee laten wegen dat de oom altijd bij minderjarigen betrokken is geweest en hij is voor de minderjarigen een vertrouwd persoon. De rechtbank kan het advies van de Raad onderschrijven en acht het benoemen van de oom tot voogd over de minderjarigen onder de huidige omstandigheden het meest in hun belang. Dit betekent dat het verzoek van de Raad zal worden toegewezen.
5.9.
De kinderrechter wil een woord richten aan de oom en tante van de minderjarigen. De kinderrechter wil de oom en tante oprecht complimenteren met de manier waarop zij met deze moeilijke situatie zijn omgegaan. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] hebben in hen betrokken, liefdevolle voogden gevonden die hen door deze moeilijke en turbulente periode kunnen en zullen leiden. Daarnaast wil de kinderrechter zich ook tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] richten. Jullie zijn enorme moedige kinderen die in staat zijn om deze lastige en emotionele tijd te doorstaan. De kinderrechter wenst alle familieleden het beste toe voor de toekomst.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5.11.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
benoemt [de oom] , geboren op [geboortedag 3] 1984 te [geboorteplaats 2], tot voogd over:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 te [geboorteplaats 1] ;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Joosen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.