Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:3090
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
8,866 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/431058 / JE RK 25-130 (spoed)
C/02/431059 / JE RK 25-131 (regulier)
Datum uitspraak: 5 februari 2025
beschikking van de kinderrechter over een (spoed)uithuisplaatsing
in de zaken van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
betreffende de minderjarige:
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige],
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. D. Boudrad te Gilze,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. P.F.M. Gulickx te Breda.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van deze rechtbank van 23 januari 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de op 27 januari 2025 van de advocaat van de vader ontvangen stelbrief;
- het op 30 januari 2025 van de advocaat van de moeder ontvangen verweerschrift met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
- de vertegenwoordigsters van de GI
Feiten
2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woonde met zijn [zusje] bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 9 oktober 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 oktober 2024 tot 9 oktober 2025.
3De verzoeken
C/02/431058 / JE RK 25-130 (spoed)
3.1
De GI verzoekt een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken en om deze beschikking onverwijld af te geven, zonder daaraan voorafgaand horen van de belanghebbenden.
C/02/431059 / JE RK 25-131 (regulier)
3.2
Daarnaast verzoekt de GI om [minderjarige] aansluitend uit huis te mogen plaatsen in een pleeggezin, dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3
De GI verzoekt verder om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI baseert het verzoek op het volgende. Bij aanvang van de ondertoezichtstelling waren er zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder, de hygiëne in de woning, de wisselende contacten met de heer [naam] (vader van de zus van [minderjarige]) en de veiligheid van [minderjarige]. De moeder is in het verleden meerdere keren fysiek mishandeld door de heer [naam]. De GI heeft met de moeder veiligheidsafspraken gemaakt. De moeder zegt dat zij geen contact meer heeft met de heer [naam], maar hij wordt wel bij de woning van de moeder gesignaleerd. Daarnaast is afgesproken dat de woning hygiënisch moet zijn voor [minderjarige]. Op 26 november 2024 zag de politie de auto van de heer [naam] bij de woning van de moeder. De politie is de woning binnengegaan en zagen geen acute onveiligheid van [minderjarige]. Zij mochten echter niet in de keuken komen, omdat daar de honden waren. De politie heeft gezien dat er ontlasting lag op het balkon. De politie heeft hierover een zorgmelding gemaakt. De GI heeft de moeder aangemeld voor Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding. De GI heeft bij een huisbezoek geconstateerd dat de woning van de moeder vervuild is. De moeder zegt de verdere huisbezoeken af. Toen de GI op 9 januari 2025 op huisbezoek bij de moeder ging, werd er niet opengedaan.
4.2.
[minderjarige] komt niet opdagen voor het gesprek met [stichting] en verzuimt regelmatig van school. Volgens de moeder kan zij hem niet naar school brengen, omdat haar scootmobiel in beslag is genomen. [minderjarige] vertelt dat hij van de moeder niets mag delen met de hulpverlening. [minderjarige] vertelt dat hij bang is en dat hij nachtmerries heeft over de moeder. Volgens de hulpverleners van [hulpverlening] heeft de moeder aangegeven dat ze naar België wil verhuizen, om zo van de ondertoezichtstelling en de hulpverleners af te komen. Op 23 januari 2025 legt de GI opnieuw een thuisbezoek af. Terwijl de GI voor het gebouw wacht, wordt er gezien dat de moeder naar binnen loopt. Als de GI aanbelt bij de woning van de moeder, wordt er niet opengedaan. De GI probeert vervolgens de moeder telefonisch te bereiken en hoort de telefoon van de moeder in de woning overgaan. Het gesprek wordt echter niet aangenomen. Bij de deur van de woning is een penetrante geur te ruiken. Volgens Thuisvester doen omwonenden melding van schreeuwende mensen in de woning, flinke stank die uit de woning komt, blaffende honden en een baby die urenlang aan het huilen is. In de laatste vier weken is de moeder de hulpverlening structureel uit de weg gegaan. De GI heeft weinig tot geen zicht op [minderjarige].
4.3.
De GI heeft grote zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige], die nog erg jong en afhankelijk van de moeder is. Volgens de GI is het noodzakelijk dat [minderjarige] veiliggesteld wordt middels een uithuisplaatsing. De GI zal de mogelijkheden voor opvang binnen het netwerk onderzoeken. Een plaatsing bij de vader van [minderjarige] is geen optie, gelet op zijn woonsituatie. De GI heeft de moeder en [minderjarige] aangemeld bij Sterk Huis voor een gezinsopname. De GI heeft geen zicht op de wachtlijsten en een eventuele datum waarop de plaatsing gerealiseerd zou kunnen worden. In de tussentijd zal er een omgangsregeling tussen de ouders en [minderjarige] worden uitgevoerd. De GI zal een plaatsing van [minderjarige] bij de oma aan vaderszijde nog onderzoeken. De GI geeft hierbij aan dat [minderjarige] nu verblijft in een gezinshuis buiten de regio, waardoor hij niet naar zijn eigen school kan gaan en fysieke bezoeken niet mogelijk zijn. Het heeft de voorkeur van de GI dat [minderjarige] dichterbij geplaatst gaat worden, in afwachting van een doorplaatsing naar Sterk Huis.
4.4.
Door en namens de moeder wordt in verweer aangegeven dat een uithuisplaatsing een ultimum remedium is en dat er eerst lichtere middelen moeten worden ingezet. De GI heeft volgens de moeder niet duidelijk gemaakt, waarom ambulante hulpverlening niet mogelijk is. De moeder voert verweer op een aantal punten:
De moeder heeft een opname bij de [stichting] geweigerd, omdat zij een grotere woning kon betrekken, wat meer in belang van [minderjarige] was.
De moeder is uit contact gegaan met de GI, omdat het goed ging met haar en [minderjarige]. Dit is niet omdat de heer [naam] weer in beeld zou zijn. Aanhoudend contact met de hulpverlening was niet meer nodig.
De moeder heeft er zelf voor gekozen om een deel van haar honden naar het asiel te brengen. De dierenpolitie is inderdaad in verband met de hygiëne aan huis geweest, maar deze heeft alleen aanwijzingen gegeven over wat er moest gebeuren. De moeder heeft deze aanwijzingen opgevolgd. Bij controle is aangegeven dat alles op orde was. De GI bevestigt dit ook door te stellen dat er op 26 november 2024 geen sprake was van een acute onveiligheid voor [minderjarige].
De moeder laat geen mensen toe tot de keuken als de honden daar zitten. De honden worden anders erg onrustig. De moeder heeft momenteel contact met mensen om de honden over te nemen.
Een enkele keer laat de moeder de honden hun behoefte op het balkon doen, als het avond is en [minderjarige] op bed ligt. Dit ruimt zij vervolgens op. Het is niet zo dat er structureel ontlasting op het balkon ligt.
De moeder heeft de afspraak op 16 december 2024 afgezegd in verband met ziekte. Een nieuwe huisafspraak kon pas na 24 december 2024 ingepland worden, omdat de moeder zich in de tussenliggende periode wilde wijden aan de verzorging van [minderjarige], die geopereerd was.
De moeder betwist dat [hulpverlening] steeds moeizamer met haar in contact kon komen. Meerdere contactmomenten zijn vervallen, omdat [hulpverlening] op dat moment ook bezig was met een crisisgezin, wat veel tijd en mankracht opslokte.
Moeder is slecht ter been en verplaatst zich met een scootmobiel. Deze scootmobiel is niet in beslag genomen, maar is voor reparatie van een lekke band teruggestuurd naar [organisatie].
De moeder heeft toen geregeld dat [minderjarige] met de moeder van een ander kindje mee naar school kon. Toen dit niet meer kon, heeft de moeder [minderjarige] met de fiets naar school gebracht. De moeder probeert verzuim zo veel mogelijk te voorkomen.
De moeder heeft op 9 januari de deur niet opengedaan, omdat zij op dat moment niet thuis was.
De moeder begrijpt niet waarom er wordt gezegd dat [minderjarige] niets mag delen met de hulpverleners. De moeder heeft [minderjarige] wel aangesproken over uitspraken, die niet bij zijn leeftijd passen.
Beoordeling
C/02/431058 / JE RK 25-130 (spoed)
5.1.
Op basis van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over het verlenen van een machtiging tot
uithuisplaatsing onverwijld worden afgegeven, indien de mondelinge behandeling van het
verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
5.3.
Bij voornoemde beschikking van 23 januari 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 6 februari 2025 en iedere verdere beslissing aangehouden. Naar het oordeel van de kinderrechter is niet gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden, die maken dat die beschikking per direct dient te worden herroepen. Het resterende deel van het spoedverzoek zal worden afgewezen, aangezien de kinderrechter op dit moment ook zal beslissen op het reguliere verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige].
C/02/431055 / JE RK 25-129 (regulier)
5.4.
De kinderrechter dient dan ook de vraag te beantwoorden of een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg danwel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder gerechtvaardigd is. In artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.5.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. In de afgelopen periode heeft de moeder de begeleiding van de GI en de betrokken hulpverleners gemeden. Hierdoor is er geen zicht geweest op de minderjarige en de opvoedsituatie waarin hij opgroeit. De GI heeft in die periode meerdere signalen gekregen, dat de woning van de moeder opnieuw vervuild zou zijn, dat zij overlast veroorzaakt in het flatgebouw waar zij woont en dat er sprake was van huiselijk geweld in de woning. Daarnaast was er bij [minderjarige] sprake van veelvuldig schoolverzuim en verscheen hij niet op de afspraak met [stichting]. De moeder heeft, ondanks dat de minderjarige onder toezicht stond, verhinderd dat de GI haar taak kon uitoefenen. De moeder heeft de GI niet toegelaten tot haar woning om de omstandigheden te kunnen controleren, terwijl er grote zorgen waren over de veiligheid en de hygiëne van de minderjarige in die opvoedsituatie. De moeder heeft hierdoor gehandeld in strijd met het belang van [minderjarige]. Voordat hij weer bij de moeder kan terugkeren, moet blijken dat de woning weer geschikt is en dat de situatie veilig is voor de minderjarige. Zij heeft namelijk ook veiligheidsafspraken die gemaakt zijn in het kader van haar ander kind geschonden.
5.6.
De moeder zegt toe dat zij voortaan gaat meewerken met de GI. Zij heeft inmiddels haar woning opgeruimd en zoekt voor haar honden een nieuwe eigenaar. Ook geeft de moeder aan dat zij bereid is om mee te werken aan een gezinsopname van haar en [minderjarige] (alsmede haar ander kind) bij Sterk Huis. Het is bemoedigend dat de moeder inmiddels tot een ander inzicht is gekomen, maar de kinderrechter is er op dit moment nog onvoldoende van overtuigd dat de moeder deze bereidheid weet vast te houden. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat het voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] noodzakelijk is dat de GI gemachtigd wordt om hem uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat er nog geen zicht is op een datum, waarop de gezinsopname bij Sterk Huis zal starten en dat ook na de opname nog beoordeeld moet worden of de thuissituatie bij de moeder geschikt is om [minderjarige] bij haar te laten terugkeren. Voorkomen moet worden dat er op dit punt discussie gaat ontstaan tussen de GI en de moeder. Op het moment dat de GI het voor [minderjarige] verantwoord vindt, dat hij weer bij de moeder gaat wonen, dan kan de GI de machtiging op grond van artikel 1:265d BW beëindigen.
5.7.
De kinderrechter zal het verzoek, zover dit ziet op plaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg afwijzen. Er is nog geen concreet zicht op een pleeggezin of netwerkpleeggezin, waarin [minderjarige] geplaatst zou kunnen worden. Op het moment dat er een voor [minderjarige] geschikte plaats beschikbaar is, zal die plaatsing op dat moment weer door de kinderrechter getoetst moeten worden, te meer nu de ouders hierover tegengestelde standpunten hebben ingenomen ten aanzien van een plaatsing in een netwerkpleeggezin.
5.8.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing per direct moet worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
5.9.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 februari 2025 tot 9 oktober 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/431058 / JE RK 25-130 (spoed)
C/02/431059 / JE RK 25-131 (regulier)
Datum uitspraak: 5 februari 2025
beschikking van de kinderrechter over een (spoed)uithuisplaatsing
in de zaken van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
betreffende de minderjarige:
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige],
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. D. Boudrad te Gilze,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. P.F.M. Gulickx te Breda.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van deze rechtbank van 23 januari 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de op 27 januari 2025 van de advocaat van de vader ontvangen stelbrief;
- het op 30 januari 2025 van de advocaat van de moeder ontvangen verweerschrift met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
- de vertegenwoordigsters van de GI
Feiten
2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woonde met zijn [zusje] bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 9 oktober 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 oktober 2024 tot 9 oktober 2025.
3De verzoeken
C/02/431058 / JE RK 25-130 (spoed)
3.1
De GI verzoekt een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken en om deze beschikking onverwijld af te geven, zonder daaraan voorafgaand horen van de belanghebbenden.
C/02/431059 / JE RK 25-131 (regulier)
3.2
Daarnaast verzoekt de GI om [minderjarige] aansluitend uit huis te mogen plaatsen in een pleeggezin, dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3
De GI verzoekt verder om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI baseert het verzoek op het volgende. Bij aanvang van de ondertoezichtstelling waren er zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder, de hygiëne in de woning, de wisselende contacten met de heer [naam] (vader van de zus van [minderjarige]) en de veiligheid van [minderjarige]. De moeder is in het verleden meerdere keren fysiek mishandeld door de heer [naam]. De GI heeft met de moeder veiligheidsafspraken gemaakt. De moeder zegt dat zij geen contact meer heeft met de heer [naam], maar hij wordt wel bij de woning van de moeder gesignaleerd. Daarnaast is afgesproken dat de woning hygiënisch moet zijn voor [minderjarige]. Op 26 november 2024 zag de politie de auto van de heer [naam] bij de woning van de moeder. De politie is de woning binnengegaan en zagen geen acute onveiligheid van [minderjarige]. Zij mochten echter niet in de keuken komen, omdat daar de honden waren. De politie heeft gezien dat er ontlasting lag op het balkon. De politie heeft hierover een zorgmelding gemaakt. De GI heeft de moeder aangemeld voor Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding. De GI heeft bij een huisbezoek geconstateerd dat de woning van de moeder vervuild is. De moeder zegt de verdere huisbezoeken af. Toen de GI op 9 januari 2025 op huisbezoek bij de moeder ging, werd er niet opengedaan.
4.2.
[minderjarige] komt niet opdagen voor het gesprek met [stichting] en verzuimt regelmatig van school. Volgens de moeder kan zij hem niet naar school brengen, omdat haar scootmobiel in beslag is genomen. [minderjarige] vertelt dat hij van de moeder niets mag delen met de hulpverlening. [minderjarige] vertelt dat hij bang is en dat hij nachtmerries heeft over de moeder. Volgens de hulpverleners van [hulpverlening] heeft de moeder aangegeven dat ze naar België wil verhuizen, om zo van de ondertoezichtstelling en de hulpverleners af te komen. Op 23 januari 2025 legt de GI opnieuw een thuisbezoek af. Terwijl de GI voor het gebouw wacht, wordt er gezien dat de moeder naar binnen loopt. Als de GI aanbelt bij de woning van de moeder, wordt er niet opengedaan. De GI probeert vervolgens de moeder telefonisch te bereiken en hoort de telefoon van de moeder in de woning overgaan. Het gesprek wordt echter niet aangenomen. Bij de deur van de woning is een penetrante geur te ruiken. Volgens Thuisvester doen omwonenden melding van schreeuwende mensen in de woning, flinke stank die uit de woning komt, blaffende honden en een baby die urenlang aan het huilen is. In de laatste vier weken is de moeder de hulpverlening structureel uit de weg gegaan. De GI heeft weinig tot geen zicht op [minderjarige].
4.3.
De GI heeft grote zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige], die nog erg jong en afhankelijk van de moeder is. Volgens de GI is het noodzakelijk dat [minderjarige] veiliggesteld wordt middels een uithuisplaatsing. De GI zal de mogelijkheden voor opvang binnen het netwerk onderzoeken. Een plaatsing bij de vader van [minderjarige] is geen optie, gelet op zijn woonsituatie. De GI heeft de moeder en [minderjarige] aangemeld bij Sterk Huis voor een gezinsopname. De GI heeft geen zicht op de wachtlijsten en een eventuele datum waarop de plaatsing gerealiseerd zou kunnen worden. In de tussentijd zal er een omgangsregeling tussen de ouders en [minderjarige] worden uitgevoerd. De GI zal een plaatsing van [minderjarige] bij de oma aan vaderszijde nog onderzoeken. De GI geeft hierbij aan dat [minderjarige] nu verblijft in een gezinshuis buiten de regio, waardoor hij niet naar zijn eigen school kan gaan en fysieke bezoeken niet mogelijk zijn. Het heeft de voorkeur van de GI dat [minderjarige] dichterbij geplaatst gaat worden, in afwachting van een doorplaatsing naar Sterk Huis.
4.4.
Door en namens de moeder wordt in verweer aangegeven dat een uithuisplaatsing een ultimum remedium is en dat er eerst lichtere middelen moeten worden ingezet. De GI heeft volgens de moeder niet duidelijk gemaakt, waarom ambulante hulpverlening niet mogelijk is. De moeder voert verweer op een aantal punten:
De moeder heeft een opname bij de [stichting] geweigerd, omdat zij een grotere woning kon betrekken, wat meer in belang van [minderjarige] was.
De moeder is uit contact gegaan met de GI, omdat het goed ging met haar en [minderjarige]. Dit is niet omdat de heer [naam] weer in beeld zou zijn. Aanhoudend contact met de hulpverlening was niet meer nodig.
De moeder heeft er zelf voor gekozen om een deel van haar honden naar het asiel te brengen. De dierenpolitie is inderdaad in verband met de hygiëne aan huis geweest, maar deze heeft alleen aanwijzingen gegeven over wat er moest gebeuren. De moeder heeft deze aanwijzingen opgevolgd. Bij controle is aangegeven dat alles op orde was. De GI bevestigt dit ook door te stellen dat er op 26 november 2024 geen sprake was van een acute onveiligheid voor [minderjarige].
De moeder laat geen mensen toe tot de keuken als de honden daar zitten. De honden worden anders erg onrustig. De moeder heeft momenteel contact met mensen om de honden over te nemen.
Een enkele keer laat de moeder de honden hun behoefte op het balkon doen, als het avond is en [minderjarige] op bed ligt. Dit ruimt zij vervolgens op. Het is niet zo dat er structureel ontlasting op het balkon ligt.
De moeder heeft de afspraak op 16 december 2024 afgezegd in verband met ziekte. Een nieuwe huisafspraak kon pas na 24 december 2024 ingepland worden, omdat de moeder zich in de tussenliggende periode wilde wijden aan de verzorging van [minderjarige], die geopereerd was.
De moeder betwist dat [hulpverlening] steeds moeizamer met haar in contact kon komen. Meerdere contactmomenten zijn vervallen, omdat [hulpverlening] op dat moment ook bezig was met een crisisgezin, wat veel tijd en mankracht opslokte.
Moeder is slecht ter been en verplaatst zich met een scootmobiel. Deze scootmobiel is niet in beslag genomen, maar is voor reparatie van een lekke band teruggestuurd naar [organisatie].
De moeder heeft toen geregeld dat [minderjarige] met de moeder van een ander kindje mee naar school kon. Toen dit niet meer kon, heeft de moeder [minderjarige] met de fiets naar school gebracht. De moeder probeert verzuim zo veel mogelijk te voorkomen.
De moeder heeft op 9 januari de deur niet opengedaan, omdat zij op dat moment niet thuis was.
De moeder begrijpt niet waarom er wordt gezegd dat [minderjarige] niets mag delen met de hulpverleners. De moeder heeft [minderjarige] wel aangesproken over uitspraken, die niet bij zijn leeftijd passen.
Beoordeling
C/02/431058 / JE RK 25-130 (spoed)
5.1.
Op basis van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over het verlenen van een machtiging tot
uithuisplaatsing onverwijld worden afgegeven, indien de mondelinge behandeling van het
verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
5.3.
Bij voornoemde beschikking van 23 januari 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 6 februari 2025 en iedere verdere beslissing aangehouden. Naar het oordeel van de kinderrechter is niet gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden, die maken dat die beschikking per direct dient te worden herroepen. Het resterende deel van het spoedverzoek zal worden afgewezen, aangezien de kinderrechter op dit moment ook zal beslissen op het reguliere verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige].
C/02/431055 / JE RK 25-129 (regulier)
5.4.
De kinderrechter dient dan ook de vraag te beantwoorden of een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg danwel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder gerechtvaardigd is. In artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.5.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. In de afgelopen periode heeft de moeder de begeleiding van de GI en de betrokken hulpverleners gemeden. Hierdoor is er geen zicht geweest op de minderjarige en de opvoedsituatie waarin hij opgroeit. De GI heeft in die periode meerdere signalen gekregen, dat de woning van de moeder opnieuw vervuild zou zijn, dat zij overlast veroorzaakt in het flatgebouw waar zij woont en dat er sprake was van huiselijk geweld in de woning. Daarnaast was er bij [minderjarige] sprake van veelvuldig schoolverzuim en verscheen hij niet op de afspraak met [stichting]. De moeder heeft, ondanks dat de minderjarige onder toezicht stond, verhinderd dat de GI haar taak kon uitoefenen. De moeder heeft de GI niet toegelaten tot haar woning om de omstandigheden te kunnen controleren, terwijl er grote zorgen waren over de veiligheid en de hygiëne van de minderjarige in die opvoedsituatie. De moeder heeft hierdoor gehandeld in strijd met het belang van [minderjarige]. Voordat hij weer bij de moeder kan terugkeren, moet blijken dat de woning weer geschikt is en dat de situatie veilig is voor de minderjarige. Zij heeft namelijk ook veiligheidsafspraken die gemaakt zijn in het kader van haar ander kind geschonden.
5.6.
De moeder zegt toe dat zij voortaan gaat meewerken met de GI. Zij heeft inmiddels haar woning opgeruimd en zoekt voor haar honden een nieuwe eigenaar. Ook geeft de moeder aan dat zij bereid is om mee te werken aan een gezinsopname van haar en [minderjarige] (alsmede haar ander kind) bij Sterk Huis. Het is bemoedigend dat de moeder inmiddels tot een ander inzicht is gekomen, maar de kinderrechter is er op dit moment nog onvoldoende van overtuigd dat de moeder deze bereidheid weet vast te houden. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat het voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] noodzakelijk is dat de GI gemachtigd wordt om hem uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat er nog geen zicht is op een datum, waarop de gezinsopname bij Sterk Huis zal starten en dat ook na de opname nog beoordeeld moet worden of de thuissituatie bij de moeder geschikt is om [minderjarige] bij haar te laten terugkeren. Voorkomen moet worden dat er op dit punt discussie gaat ontstaan tussen de GI en de moeder. Op het moment dat de GI het voor [minderjarige] verantwoord vindt, dat hij weer bij de moeder gaat wonen, dan kan de GI de machtiging op grond van artikel 1:265d BW beëindigen.
5.7.
De kinderrechter zal het verzoek, zover dit ziet op plaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg afwijzen. Er is nog geen concreet zicht op een pleeggezin of netwerkpleeggezin, waarin [minderjarige] geplaatst zou kunnen worden. Op het moment dat er een voor [minderjarige] geschikte plaats beschikbaar is, zal die plaatsing op dat moment weer door de kinderrechter getoetst moeten worden, te meer nu de ouders hierover tegengestelde standpunten hebben ingenomen ten aanzien van een plaatsing in een netwerkpleeggezin.
5.8.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing per direct moet worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
5.9.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 februari 2025 tot 9 oktober 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.