Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:3089
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,966 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/420470 / JE RK 24-515
Datum uitspraak: 10 februari 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd in Eindhoven,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI).
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- De beschikking van deze rechtbank van 24 januari 2025 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- de vertegenwoordigsters van de GI.
Feiten
2.1.
In de vorige beschikking heeft de kinderrechter bepaald dat de behandeling van het verzoek voor korte tijd moet worden aangehouden, zodat de vader voldoende tijd krijgt om zich op de mondelinge behandeling voor te bereiden. Omdat er geen mogelijkheid was om het verzoek nog voor de afloopdatum van de ondertoezichtstelling te behandelen en omdat partijen hebben ingestemd met een kortdurende verlenging, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 14 februari 2025.
3Het restverzoek
3.1.
Het verzoek van de Raad om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen tot 25 april 2025 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. Er zijn nog steeds grote zorgen om de minderjarigen. Volgens de Raad blijkt uit de informatie vanuit de GI, dat de gestelde doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald. De hulpverlening aan [minderjarige 2] verloopt positief, maar de hulpverlening voor [minderjarige 1] moet nog worden opgestart. De ouders van de minderjarigen blijven vastzitten in hun strijd. Het is voor de minderjarigen van belang dat er iemand tussen ouders in gaat staan, die de regie over de hulp aan de minderjarigen gaat voeren. De Raad adviseert de ouders om ieder voor zich hulpverlening te zoeken om uit deze ouderstrijd te komen. De GI kan dit niet afdwingen. Nu zijn de minderjarigen aan het werk, terwijl eigenlijk de ouders diegenen zijn die aan het werk moeten. Omdat de ouders met elkaar in een strijd verwikkeld zijn, zijn zij minder beschikbaar voor de minderjarigen. Het lukt hen dan niet om te doen wat de minderjarigen nodig hebben. Het wordt tijd dat de ouders naar zichzelf gaan kijken en elkaar gaan loslaten, zodat er rust komt.
4.2.
De GI deelt het standpunt van de Raad. De GI vindt een ondertoezichtstelling nog nodig om de volgende redenen. De minderjarigen ervaren moeite met het uiten van hun emoties. Op school laat [minderjarige 1] bijzonder gedrag zien, door zichzelf stoer voor te doen en niet te luisteren naar afspraken. Hij lijkt zich zo te gedragen, om niet te dicht bij zijn gevoelens te komen. [minderjarige 1] heeft hulp nodig om dit gedrag te verbeteren. [minderjarige 2] geeft signalen af, waaruit is af te leiden dat hij klem zit tussen zijn ouders. De GI heeft voor de minderjarigen hulp ingezet via “[traject]”. Met [minderjarige 2] worden hierin positieve resultaten geboekt. [minderjarige 1] is niet gemotiveerd voor die hulp. De GI overweegt om voor [minderjarige 1] hulp in te zetten vanuit [jeugdzorg]. Deze hulp is gericht op [minderjarige 1], maar ook op de ouders en hoe zij met het gedrag van [minderjarige 1] om moeten gaan. De GI vindt het verder noodzakelijk dat – hopelijk ook vanuit [jeugdzorg] – opvoedondersteuning wordt ingezet aan zowel de vader als de moeder, om te voorkomen dat er verdere escalaties ontstaan rondom de omgang met [minderjarige 2]. Beide ouders werken redelijk goed samen met de GI, maar de samenwerking tussen de ouders laat nog altijd te wensen over. De GI besteedt te veel aandacht aan de strijd tussen de ouders, terwijl deze aandacht naar de minderjarigen moet gaan. Er vindt nog steeds geen omgang plaats tussen [minderjarige 1] en de vader. [minderjarige 1] had aan het begin van de ondertoezichtstelling sporadisch contact met de vader. Op dit moment is dit contact zeer minimaal tot geen contact. [minderjarige 2] heeft wel een ruime zorg- en contactregeling met de vader. Gezien wordt echter dat [minderjarige 2] bij de moeder en de jeugdbeschermers vaker aangeeft niet naar de vader te willen gaan. Op de vraag waarom dat is, komt er vanuit [minderjarige 2] geen antwoord. Het verblijf van [minderjarige 2] bij vader verloopt op zich prima. Alleen als de spanning daar wat te hoog oploopt, gaat [minderjarige 2] (voortijdig) terug naar de moeder. De werkwijze van [jeugdzorg] is dat zij eerst praten met de minderjarige om de hulpvraag te kunnen beoordelen. De vader wil liever dat [jeugdzorg] eerst met de ouders en de GI in gesprek gaat om de hulpvraag te bepalen. Hierdoor heeft het traject vanuit [jeugdzorg] al drie maanden vertraging opgelopen. De GI informeert de vader naar behoren over de minderjarigen. De GI heeft met de vader een bemiddelingsgesprek gepland, om te bezien hoe zij het gevoel van de vader – dat hij slecht geïnformeerd en betrokken wordt – kunnen wegnemen. De GI loopt er steeds tegenaan dat, op het moment dat er hulpverlening kan worden ingezet, de vader het daar niet mee eens is en dat de GI op dat moment weer moet aansturen om de vader alsnog te bewegen om mee te werken. Het lukt de GI niet om met de ouders tot een compromis te komen. Zo staat “[traject]” weer op het punt om hulp te bieden aan [minderjarige 2], maar werkt vader niet mee, omdat hij de planning daarvan niet goed vindt.
4.3.
De moeder vindt het lastig, dat er steeds benoemd wordt dat beide ouders mee moeten werken en normaal met elkaar om moeten gaan. Volgens de moeder werkt zij mee en is zij positief over de minderjarigen. Zij verwijt de vader dat hij niet meewerkt. Het kost de GI veel moeite om zijn instemming te krijgen voor de hulpverlening die moet worden ingezet. Het is volgens de moeder juist de vader die op die momenten tegenwerkt. Als de moeder probeert om via whatsapp met de vader te overleggen, dan krijgt zij meteen een hoop verwijten toegestuurd. De moeder zou graag zien dat de vader en zij respectvol met elkaar zouden communiceren. Er is al veel hulpverlening bij de moeder ingezet en steeds wordt haar gezegd dat ze de minderjarigen goed verzorgt en opvoedt. De vader moet stoppen met haar voortdurend verwijten te maken. Het is volgens de moeder juist de vader die kan zorgen voor rust in de situatie. Hij moet stoppen met het indienen van klachten en moet gaan meewerken met de GI. Volgens de moeder zijn de minderjarigen juist de dupe van de houding van de vader. De moeder wil geen gedoe meer en geen procedures meer. Zij wil het de minderjarigen zo makkelijk mogelijk maken en geen strijd meer voeren met de vader. De moeder vindt het belangrijk dat er voor de minderjarigen hulp komt. Zij stemt in met het resterende deel van het verzoek van de Raad.
4.4.
De vader vindt dat er rust moet komen voor de minderjarigen. Door de procedures tussen de ouders komt er geen rust. De vader is bang om beide minderjarigen te verliezen. Hij kan daarom niet anders dan strijden voor de minderjarigen. De vader heeft de indruk dat de minderjarigen door de moeder worden beïnvloed in hun weerstand jegens hem. De moeder wordt hier volgens de vader niet op aangesproken door de GI. De vader heeft geen bezwaar tegen de hulp vanuit [jeugdzorg], maar hij wil wel weten wat [jeugdzorg] gaat doen met de minderjarigen. De vader heeft nog steeds niet de informatie over [jeugdzorg], om daarover een goede beslissing te kunnen nemen. De vader wil met [jeugdzorg] in gesprek om zo na te gaan welke doelen er worden gesteld voor de hulpverlening. De vader wil daar actief bij betrokken zijn. De vader verwijt de GI dat zij hem niet goed informeren of betrekken bij de hulpverlening. Als hij met de GI in gesprek wil, dan stelt de GI een datum voor en daar moet de vader – die een baan heeft en dus niet altijd beschikbaar is – het dan mee doen. De vader heeft bij de GI een klacht ingediend over deze werkwijze. De vader is er niet van op de hoogte dat de GI ook bij hem opvoedondersteuning in wil zetten. De vader heeft dit voornemen pas gelezen in de stukken die de GI voor de vorige mondelinge behandeling heeft ingediend. De vader heeft deze brief zelf nooit ontvangen. De vader verwijt de GI verder dat zij niet adequaat heeft opgetreden, toen de moeder niet heeft meegewerkt aan de contactregeling tijdens de kerstvakantie. De vader vindt het opmerkelijk dat [minderjarige 2] kennelijk nu ook aangeeft, dat hij niet naar de vader wil.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 14 februari 2025 tot 25 april 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.