Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:3086
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
10,654 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/431306 / JE RK 25-178
Datum uitspraak: 10 februari 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. B.P.J. van Riel te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. D.N. van Wensen.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling DE STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de mondeling gegeven beschikking van deze rechtbank op 29 januari 2025, schriftelijk bevestigd op 30 januari 2025;
het e-mailbericht van mr. Van Riel van 30 januari 2025;
het e-mailbericht van mr. Van Riel van 7 februari 2025 met bijlagen;
het e-mailbericht van mr. Van Wensen van 7 februari 2025 met bijlagen;
het e-mailbericht van mr. Van Riel van 10 februari 2025;
het e-mailbericht van de griffier aan de Raad, de advocaat van de moeder, de advocaat van de vader en de GI;
het e-mailbericht van mr. Van Wensen van 10 februari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij mondeling gegeven beschikking van 29 januari 2025, schriftelijk bevestigd op 30 januari 2025, [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 februari 2025 en een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg (netwerk) tot 12 februari 2025.
3Het verzoek
3.1.
Aan de orde is het (resterende deel van) het verzoek van de Raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad baseert het verzoek op het volgende. [minderjarige] zit klem tussen haar ouders. Beide ouders geven aan dat zij [minderjarige] niet bij hen thuis kunnen laten wonen, maar zij zijn daarbij met elkaar in conflict over waar [minderjarige] dan wel kan verblijven. De ouders van [minderjarige] kunnen niet constructief met elkaar overleggen om samen de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. Volgens de Raad is het gewenst dat er opvoedondersteuning (door bijvoorbeeld [hulpverlening 1] / [hulpverlening 2] en mogelijk later via MST) wordt ingezet. De moeder en [minderjarige] staan open voor deze vorm van hulpverlening. Tot het moment dat deze vorm van ondersteuning kan worden ingezet, zal er een plaats gezocht moeten worden, waar [minderjarige] voorlopig kan verblijven. Nu de ouders daar geen overeenstemming over kunnen bereiken en het bovendien niet duidelijk is of de vader instemt met de noodzakelijk geachte vorm van hulpverlening, is volgens de Raad noodzakelijk dat [minderjarige] voorlopig onder toezicht wordt gesteld. Daarbij vindt de Raad het van belang dat er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt verleend, zodat er voor [minderjarige] een geschikte plaats gezocht kan worden, waar zij de inzet van hulpverlening bij de moeder thuis kan afwachten. De Raad heeft het beschermingsonderzoek naar [minderjarige] uitgebreid naar [de broer] van [minderjarige] . De Raad ziet evenwel nu geen redenen om voor [de broer] een voorlopige ondertoezichtstelling te verzoeken. Het is de Raad uit de stukken niet gebleken dat er bij [de broer] zich omstandigheden voor doen, die nu een voorlopige ondertoezichtstelling zouden rechtvaardigen. Het probleem in het gezin zit tussen de ouders. Daar kan in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] aan gewerkt worden. De Raad gaat er daarbij vanuit dat de ouders er niet voor gaan liggen als er in dat kader ook hulp voor [de broer] geregeld wordt, ook als er gevraagd wordt om een MASIC-vragenlijst in te vullen. Het is voor het onderzoek gunstig dat de ouders de zorgen delen. Het is dan makkelijker om zicht te krijgen op wat [minderjarige] (en [de broer]) nodig heeft.
4.2.
De GI deelt het standpunt van de Raad. De GI heeft inmiddels met [minderjarige] en ieder van de ouders een gesprek gehad. Er is bij de betrokken partijen informatie opgevraagd. De ouders hebben ieder een eigen verhaal over hoe de situatie is ontstaan. Er is sprake van een complexe scheiding, waar [minderjarige] al jaren last van heeft. Tussen de ouders is er onenigheid over welke hulp er voor [minderjarige] moet worden ingezet. Dat heeft er toe geleid dat verschillende hulpverleningstrajecten niet van de grond zijn gekomen of voortijdig zijn beëindigd. Andere trajecten zijn wel goed doorlopen, maar hebben onvoldoende resultaat gehad. [minderjarige] geeft aan dat ze terug wil naar haar moeder, maar dat ze wel hulp wil. Met de vader wil [minderjarige] wel contact, maar op een andere manier dan dat nu het geval is. In de thuissituatie bij de moeder is het tussen [minderjarige] en de moeder goed mis gegaan. [minderjarige] heeft hierbij huisraad vernield en luistert niet naar haar moeder. De GI heeft het voornemen om met het CJG samen te werken om te kijken welke vormen van hulpverlening er voor [minderjarige] en haar broertje [de broer] nodig zijn. Er zal daarnaast gekeken worden wat er nodig is om het bij de moeder en bij de vader goed te laten gaan. Voor de ouders zullen er duidelijke afspraken moeten komen. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat er duidelijkheid en stabiliteit komt. [minderjarige] heeft kort bij de zus van de moeder verbleven, maar verblijft nu bij [naam], een vriendin van de moeder. De GI heeft na de mondelinge behandeling een startgesprek met de ambulante gezinsbehandeling. Volgens de GI maakt het voor de uitvoerbaarheid van de maatregelen voor [minderjarige] niet uit of er voor [de broer] een voorlopige ondertoezichtstelling komt. Het is onwaarschijnlijk dat er in de komende drie maanden een oplossing komt voor problematiek die in tien jaar is opgebouwd.
4.3.
De moeder wil dat [minderjarige] weer bij haar komt wonen, maar dan moet er eerst een vorm van hulpverlening in het gezin beschikbaar zijn. De moeder en de broer van [minderjarige] zijn erg geschrokken van het tv-incident. De moeder wil voorkomen dat er ooit nog zo’n incident plaatsvindt. Zij vindt het nodig dat er naar het hele gezin gekeken wordt en dat duidelijk wordt waar het mis gaat. De moeder maakt zich grote zorgen om [minderjarige] , die al jaren zorgelijk gedrag laat zien. De advocaat van de moeder voegt hier nog aan toe dat er een situatie is ontstaan, waar er geen andere mogelijkheid meer is dan een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De ouders zitten niet op een lijn over wat zij voor [minderjarige] nodig vinden. De moeder wil niet meer in de valkuilen van het verleden trappen. Volgens de informatie vanuit [bemiddelingsbureau] is de vader niet aanspreekbaar op zijn eigen verbeterpunten. De moeder is verhard geraakt in haar strijd om het voor de minderjarigen zo goed mogelijk te doen. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat er zo spoedig mogelijk wordt gewerkt naar een terugkeer bij de moeder. De advocaat van de moeder verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in duur te beperken tot vier weken en laat het moment van terugkeer van [minderjarige] bij de moeder aan de beoordeling van de GI over. [minderjarige] is sinds de uithuisplaatsing tot de plaatsing bij [naam] niet naar school geweest. [minderjarige] kan vanuit [naam] naar haar eigen school. De vader is het echter niet eens met deze plaatsing, waardoor borging van deze plaats middels een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. De moeder vraagt om in de beschikking op te nemen dat [minderjarige] niet meer belast mag worden met ouderproblemen. Uit de overgelegde appgesprekken blijkt dat [minderjarige] daar in het verleden veel last van heeft gehad. Voor de GI ligt daar volgens de advocaat van de moeder een taak om tussen de ouders te gaan staan. Het is bovendien noodzakelijk dat het gezin een MASIC afneemt, zodat duidelijk wordt welke vorm van hulpverlening het meest passend is. Omdat [de broer] in dezelfde situatie zit als [minderjarige] , verzoekt de advocaat van de moeder om ook hem ambtshalve, nu de Raad dit verzoek niet wil doen, voorlopig onder toezicht te stellen. [de broer] heeft een afgeleid spoedeisend belang. Het is niet in het belang van [de broer] als wordt afgewacht totdat het ook bij hem mis gaat. [de broer] moet het afgelopen schooljaar over doen, hij slaapt niet door en kruipt bij de moeder in bed. Volgens de moeder staat [de broer] continue “aan”. Het CJG lijkt echter handelingsverlegen. Het zou zonde zijn om voor [de broer] onnodig tijd te verliezen.
4.4.
De vader vindt het triest om te horen dat [minderjarige] het gevoel heeft dat ze geen thuis meer heeft. De vader is geraakt door wat er met [minderjarige] is voorgevallen.
Beoordeling
5.1.
Bij beschikking van 29 januari 2025 is [minderjarige] voorlopige onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 29 januari 2025 en tot 12 februari 2025 en is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkvoorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 29 januari 2025 en tot 12 februari, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling op 10 februari 2025 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.
De kinderrechter dient in beginsel te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 29 januari 2025 moet worden herroepen. De kinderrechter stelt vast dat uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, volgt dat van het voorgaande geen sprake is en overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de situatie zoals deze op 29 januari 2025 ontstaan is, voldoende reden gaf om [minderjarige] , onverwijld en zonder het voorafgaand horen van de belanghebbenden, op dat moment voorlopig onder toezicht te stellen en met spoed uit huis te plaatsen. [minderjarige] is, na een ruzie met haar moeder, door de vader meegenomen naar zijn huis, waar zij vervolgens anderhalve week heeft verbleven. Na twee overnachtingen bij een vriendin is [minderjarige] door de vader overgebracht naar de oudoom van [minderjarige] . Al die tijd kon [minderjarige] niet naar haar eigen school, omdat de afstand te groot was. Beide ouders hebben aangegeven de zorg voor [minderjarige] op dat moment niet te kunnen dragen. De moeder had bezwaar tegen het verblijf van [minderjarige] bij haar oudoom. De vader had op zijn beurt bezwaar tegen het verblijf van [minderjarige] in het netwerk van de moeder. [minderjarige] is derhalve op dat moment terecht op een pleegzorgplaatsing in het netwerk van de moeder geplaatst met een machtiging van de kinderrechter. De beslissing van de kinderrechter in voormelde beschikking van 29 januari 2025 is derhalve op juiste gronden genomen.
5.3.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling van het verzoek is verder gebleken dat het ernstige vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. Aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling wordt dus voldaan. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking dat het voor iedereen duidelijk is dat [minderjarige] op dit moment nog niet terug naar huis kan. Er zal eerst onderzocht moeten worden welke vorm van hulpverlening past bij het voorgenomen traject terug naar de moeder. Voorkomen moet worden dat het tussen de moeder en [minderjarige] weer erg uit de hand loopt en een terugkeer van [minderjarige] bij de moeder spaak loopt. De GI heeft daarvoor bewegingsruimte nodig, om te kunnen onderzoeken hoe [minderjarige] op een veilige manier kan terugkeren bij de moeder. Daarvoor is het noodzakelijk dat de GI de ruimte heeft om [minderjarige] , alleen daar waar dit nog nodig is, nog tot het einde van de machtiging uit huis te plaatsen.
5.4.
Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI tot 29 april 2025. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen tot 29 april 2025.
5.5.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat betekent dat de beslissing per direct moet worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
5.6.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] zelf van haar te horen krijgt wat er in deze procedure wordt beslist maar ook dat de andere betrokkenen weten wat de kinderrechter hierover aan [minderjarige] terugkoppelt. Hierna zal de kinderrechter zich daarom tot [minderjarige] richten. Deze tekst zal worden overgenomen in een brief, die naar [minderjarige] wordt gestuurd.
Beste [minderjarige] ,
Op 7 februari 2025 heb ik met jou gesproken over het verzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming over jou heeft gedaan. Ik heb je toen beloofd te laten weten wat mijn beslissing is en waarom.
[minderjarige] , ik vind het knap hoe je je gevoel onder woorden hebt gebracht in ons gesprek.
Na ons gesprek heb ik tijdens de zitting op 10 februari 2025 verder met de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad), je ouders, hun advocaten en ook met iemand van de Stichting Jeugdbescherming Brabant (ik noem dat de GI) gesproken. Ik heb hen een korte samenvatting gegeven van ons gesprek en ook met hen besproken dat ik mij zorgen maak over de afgelopen gebeurtenissen en hoe het tussen je ouders gaat. Het is belangrijk om goed uit te zoeken hoe het daadwerkelijk met jou gaat en wat er nodig is om de situatie te verbeteren.
Daarom vind ik dat een voorlopige ondertoezichtstelling voor jou nu het beste is. Met jouw ouders, en ook de Raad en de GI, vind ik dat je het meest op je plek bent in [woonplaats 1] terug thuis bij je moeder. Daar dient dan ook naartoe te worden gewerkt. Dat hebben we zo besproken en dat is nu het plan.
Ik heb besloten dat de spoedbeslissing in stand blijft voor de komende drie maanden, tot 29 april 2025. Dat betekent dat je voorlopig onder toezicht wordt gesteld van Jeugdbescherming Brabant (de jeugdbescherming) en dat de jeugdbescherming gemachtigd is om je bij iemand in het netwerk (in [woonplaats 1] ) te plaatsen als het terug thuis wonen bij je moeder (nog) niet lukt.
Dit betekent voor jou dat je nu nog even bij [naam] blijft wonen, tot dat het weer bij je moeder kan. Ik weet dat je het liefst nu al terug naar huis wil, maar dat zal misschien nog even moeten wachten. De bedoeling is dat het niet langer duurt dan nodig en het is belangrijk dat jij en je moeder hulp krijgen hoe jullie met elkaar om kunnen gaan.
De Raad voor de Kinderbescherming gaat de komende tijd verder onderzoeken hoe het met jou thuis gaat en hoe het met jou – en ook je broertje – gaat in de situatie tussen je ouders. Er zal iemand van de Raad met jou gaan praten over wat jij ervan vindt. De Raad zal verder met je bespreken hoe het dan verder gaat.
Ik hoop dat mijn beslissing zo duidelijk voor je is. Bedankt voor het gesprek, [minderjarige] . Ik wens je veel goeds de komende tijd.
5.7.
De advocaat van de moeder heeft de kinderrechter verzocht om de broer van [minderjarige] , [de broer], ambtshalve voorlopig onder toezicht te stellen. Naar het oordeel van de kinderrechter biedt de wet hiertoe geen mogelijkheid en is een dergelijke beslissing alleen te rechtvaardigen indien sprake is van een crisissituatie en duidelijke ernstige zorgen. De kinderrechter ziet met de Raad onvoldoende spoedeisende redenen. Hoewel het vermoeden van een ontwikkelingsbedreiging bij [de broer] er bij de Raad toe heeft geleid dat deze het beschermingsonderzoek naar [minderjarige] heeft uitgebreid naar ook [de broer], is vooralsnog niet gebleken dat de zorgen om [de broer] van dien aard zijn, dat er gesproken moet worden van een crisissituatie die een dergelijke maatregel rechtvaardigt. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat de GI tijdens de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] , ook oog heeft voor [de broer] en daar waar nodig de samenwerking zal zoeken met het CJG.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 12 februari 2025 tot 29 april 2025;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg binnen het netwerk met ingang van 12 februari 2025 tot 29 april 2025;
6.3.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 20 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan, voor zover deze ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing, worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Artikel 1:255 en 1:257 Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/431306 / JE RK 25-178
Datum uitspraak: 10 februari 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. B.P.J. van Riel te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. D.N. van Wensen.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling DE STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de mondeling gegeven beschikking van deze rechtbank op 29 januari 2025, schriftelijk bevestigd op 30 januari 2025;
het e-mailbericht van mr. Van Riel van 30 januari 2025;
het e-mailbericht van mr. Van Riel van 7 februari 2025 met bijlagen;
het e-mailbericht van mr. Van Wensen van 7 februari 2025 met bijlagen;
het e-mailbericht van mr. Van Riel van 10 februari 2025;
het e-mailbericht van de griffier aan de Raad, de advocaat van de moeder, de advocaat van de vader en de GI;
het e-mailbericht van mr. Van Wensen van 10 februari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij mondeling gegeven beschikking van 29 januari 2025, schriftelijk bevestigd op 30 januari 2025, [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 februari 2025 en een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg (netwerk) tot 12 februari 2025.
3Het verzoek
3.1.
Aan de orde is het (resterende deel van) het verzoek van de Raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad baseert het verzoek op het volgende. [minderjarige] zit klem tussen haar ouders. Beide ouders geven aan dat zij [minderjarige] niet bij hen thuis kunnen laten wonen, maar zij zijn daarbij met elkaar in conflict over waar [minderjarige] dan wel kan verblijven. De ouders van [minderjarige] kunnen niet constructief met elkaar overleggen om samen de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. Volgens de Raad is het gewenst dat er opvoedondersteuning (door bijvoorbeeld [hulpverlening 1] / [hulpverlening 2] en mogelijk later via MST) wordt ingezet. De moeder en [minderjarige] staan open voor deze vorm van hulpverlening. Tot het moment dat deze vorm van ondersteuning kan worden ingezet, zal er een plaats gezocht moeten worden, waar [minderjarige] voorlopig kan verblijven. Nu de ouders daar geen overeenstemming over kunnen bereiken en het bovendien niet duidelijk is of de vader instemt met de noodzakelijk geachte vorm van hulpverlening, is volgens de Raad noodzakelijk dat [minderjarige] voorlopig onder toezicht wordt gesteld. Daarbij vindt de Raad het van belang dat er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt verleend, zodat er voor [minderjarige] een geschikte plaats gezocht kan worden, waar zij de inzet van hulpverlening bij de moeder thuis kan afwachten. De Raad heeft het beschermingsonderzoek naar [minderjarige] uitgebreid naar [de broer] van [minderjarige] . De Raad ziet evenwel nu geen redenen om voor [de broer] een voorlopige ondertoezichtstelling te verzoeken. Het is de Raad uit de stukken niet gebleken dat er bij [de broer] zich omstandigheden voor doen, die nu een voorlopige ondertoezichtstelling zouden rechtvaardigen. Het probleem in het gezin zit tussen de ouders. Daar kan in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] aan gewerkt worden. De Raad gaat er daarbij vanuit dat de ouders er niet voor gaan liggen als er in dat kader ook hulp voor [de broer] geregeld wordt, ook als er gevraagd wordt om een MASIC-vragenlijst in te vullen. Het is voor het onderzoek gunstig dat de ouders de zorgen delen. Het is dan makkelijker om zicht te krijgen op wat [minderjarige] (en [de broer]) nodig heeft.
4.2.
De GI deelt het standpunt van de Raad. De GI heeft inmiddels met [minderjarige] en ieder van de ouders een gesprek gehad. Er is bij de betrokken partijen informatie opgevraagd. De ouders hebben ieder een eigen verhaal over hoe de situatie is ontstaan. Er is sprake van een complexe scheiding, waar [minderjarige] al jaren last van heeft. Tussen de ouders is er onenigheid over welke hulp er voor [minderjarige] moet worden ingezet. Dat heeft er toe geleid dat verschillende hulpverleningstrajecten niet van de grond zijn gekomen of voortijdig zijn beëindigd. Andere trajecten zijn wel goed doorlopen, maar hebben onvoldoende resultaat gehad. [minderjarige] geeft aan dat ze terug wil naar haar moeder, maar dat ze wel hulp wil. Met de vader wil [minderjarige] wel contact, maar op een andere manier dan dat nu het geval is. In de thuissituatie bij de moeder is het tussen [minderjarige] en de moeder goed mis gegaan. [minderjarige] heeft hierbij huisraad vernield en luistert niet naar haar moeder. De GI heeft het voornemen om met het CJG samen te werken om te kijken welke vormen van hulpverlening er voor [minderjarige] en haar broertje [de broer] nodig zijn. Er zal daarnaast gekeken worden wat er nodig is om het bij de moeder en bij de vader goed te laten gaan. Voor de ouders zullen er duidelijke afspraken moeten komen. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat er duidelijkheid en stabiliteit komt. [minderjarige] heeft kort bij de zus van de moeder verbleven, maar verblijft nu bij [naam], een vriendin van de moeder. De GI heeft na de mondelinge behandeling een startgesprek met de ambulante gezinsbehandeling. Volgens de GI maakt het voor de uitvoerbaarheid van de maatregelen voor [minderjarige] niet uit of er voor [de broer] een voorlopige ondertoezichtstelling komt. Het is onwaarschijnlijk dat er in de komende drie maanden een oplossing komt voor problematiek die in tien jaar is opgebouwd.
4.3.
De moeder wil dat [minderjarige] weer bij haar komt wonen, maar dan moet er eerst een vorm van hulpverlening in het gezin beschikbaar zijn. De moeder en de broer van [minderjarige] zijn erg geschrokken van het tv-incident. De moeder wil voorkomen dat er ooit nog zo’n incident plaatsvindt. Zij vindt het nodig dat er naar het hele gezin gekeken wordt en dat duidelijk wordt waar het mis gaat. De moeder maakt zich grote zorgen om [minderjarige] , die al jaren zorgelijk gedrag laat zien. De advocaat van de moeder voegt hier nog aan toe dat er een situatie is ontstaan, waar er geen andere mogelijkheid meer is dan een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De ouders zitten niet op een lijn over wat zij voor [minderjarige] nodig vinden. De moeder wil niet meer in de valkuilen van het verleden trappen. Volgens de informatie vanuit [bemiddelingsbureau] is de vader niet aanspreekbaar op zijn eigen verbeterpunten. De moeder is verhard geraakt in haar strijd om het voor de minderjarigen zo goed mogelijk te doen. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat er zo spoedig mogelijk wordt gewerkt naar een terugkeer bij de moeder. De advocaat van de moeder verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in duur te beperken tot vier weken en laat het moment van terugkeer van [minderjarige] bij de moeder aan de beoordeling van de GI over. [minderjarige] is sinds de uithuisplaatsing tot de plaatsing bij [naam] niet naar school geweest. [minderjarige] kan vanuit [naam] naar haar eigen school. De vader is het echter niet eens met deze plaatsing, waardoor borging van deze plaats middels een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. De moeder vraagt om in de beschikking op te nemen dat [minderjarige] niet meer belast mag worden met ouderproblemen. Uit de overgelegde appgesprekken blijkt dat [minderjarige] daar in het verleden veel last van heeft gehad. Voor de GI ligt daar volgens de advocaat van de moeder een taak om tussen de ouders te gaan staan. Het is bovendien noodzakelijk dat het gezin een MASIC afneemt, zodat duidelijk wordt welke vorm van hulpverlening het meest passend is. Omdat [de broer] in dezelfde situatie zit als [minderjarige] , verzoekt de advocaat van de moeder om ook hem ambtshalve, nu de Raad dit verzoek niet wil doen, voorlopig onder toezicht te stellen. [de broer] heeft een afgeleid spoedeisend belang. Het is niet in het belang van [de broer] als wordt afgewacht totdat het ook bij hem mis gaat. [de broer] moet het afgelopen schooljaar over doen, hij slaapt niet door en kruipt bij de moeder in bed. Volgens de moeder staat [de broer] continue “aan”. Het CJG lijkt echter handelingsverlegen. Het zou zonde zijn om voor [de broer] onnodig tijd te verliezen.
4.4.
De vader vindt het triest om te horen dat [minderjarige] het gevoel heeft dat ze geen thuis meer heeft. De vader is geraakt door wat er met [minderjarige] is voorgevallen.
Beoordeling
5.1.
Bij beschikking van 29 januari 2025 is [minderjarige] voorlopige onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 29 januari 2025 en tot 12 februari 2025 en is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkvoorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 29 januari 2025 en tot 12 februari, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling op 10 februari 2025 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.
De kinderrechter dient in beginsel te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 29 januari 2025 moet worden herroepen. De kinderrechter stelt vast dat uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, volgt dat van het voorgaande geen sprake is en overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de situatie zoals deze op 29 januari 2025 ontstaan is, voldoende reden gaf om [minderjarige] , onverwijld en zonder het voorafgaand horen van de belanghebbenden, op dat moment voorlopig onder toezicht te stellen en met spoed uit huis te plaatsen. [minderjarige] is, na een ruzie met haar moeder, door de vader meegenomen naar zijn huis, waar zij vervolgens anderhalve week heeft verbleven. Na twee overnachtingen bij een vriendin is [minderjarige] door de vader overgebracht naar de oudoom van [minderjarige] . Al die tijd kon [minderjarige] niet naar haar eigen school, omdat de afstand te groot was. Beide ouders hebben aangegeven de zorg voor [minderjarige] op dat moment niet te kunnen dragen. De moeder had bezwaar tegen het verblijf van [minderjarige] bij haar oudoom. De vader had op zijn beurt bezwaar tegen het verblijf van [minderjarige] in het netwerk van de moeder. [minderjarige] is derhalve op dat moment terecht op een pleegzorgplaatsing in het netwerk van de moeder geplaatst met een machtiging van de kinderrechter. De beslissing van de kinderrechter in voormelde beschikking van 29 januari 2025 is derhalve op juiste gronden genomen.
5.3.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling van het verzoek is verder gebleken dat het ernstige vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. Aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling wordt dus voldaan. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking dat het voor iedereen duidelijk is dat [minderjarige] op dit moment nog niet terug naar huis kan. Er zal eerst onderzocht moeten worden welke vorm van hulpverlening past bij het voorgenomen traject terug naar de moeder. Voorkomen moet worden dat het tussen de moeder en [minderjarige] weer erg uit de hand loopt en een terugkeer van [minderjarige] bij de moeder spaak loopt. De GI heeft daarvoor bewegingsruimte nodig, om te kunnen onderzoeken hoe [minderjarige] op een veilige manier kan terugkeren bij de moeder. Daarvoor is het noodzakelijk dat de GI de ruimte heeft om [minderjarige] , alleen daar waar dit nog nodig is, nog tot het einde van de machtiging uit huis te plaatsen.
5.4.
Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI tot 29 april 2025. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen tot 29 april 2025.
5.5.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat betekent dat de beslissing per direct moet worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
5.6.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] zelf van haar te horen krijgt wat er in deze procedure wordt beslist maar ook dat de andere betrokkenen weten wat de kinderrechter hierover aan [minderjarige] terugkoppelt. Hierna zal de kinderrechter zich daarom tot [minderjarige] richten. Deze tekst zal worden overgenomen in een brief, die naar [minderjarige] wordt gestuurd.
Beste [minderjarige] ,
Op 7 februari 2025 heb ik met jou gesproken over het verzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming over jou heeft gedaan. Ik heb je toen beloofd te laten weten wat mijn beslissing is en waarom.
[minderjarige] , ik vind het knap hoe je je gevoel onder woorden hebt gebracht in ons gesprek.
Na ons gesprek heb ik tijdens de zitting op 10 februari 2025 verder met de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad), je ouders, hun advocaten en ook met iemand van de Stichting Jeugdbescherming Brabant (ik noem dat de GI) gesproken. Ik heb hen een korte samenvatting gegeven van ons gesprek en ook met hen besproken dat ik mij zorgen maak over de afgelopen gebeurtenissen en hoe het tussen je ouders gaat. Het is belangrijk om goed uit te zoeken hoe het daadwerkelijk met jou gaat en wat er nodig is om de situatie te verbeteren.
Daarom vind ik dat een voorlopige ondertoezichtstelling voor jou nu het beste is. Met jouw ouders, en ook de Raad en de GI, vind ik dat je het meest op je plek bent in [woonplaats 1] terug thuis bij je moeder. Daar dient dan ook naartoe te worden gewerkt. Dat hebben we zo besproken en dat is nu het plan.
Ik heb besloten dat de spoedbeslissing in stand blijft voor de komende drie maanden, tot 29 april 2025. Dat betekent dat je voorlopig onder toezicht wordt gesteld van Jeugdbescherming Brabant (de jeugdbescherming) en dat de jeugdbescherming gemachtigd is om je bij iemand in het netwerk (in [woonplaats 1] ) te plaatsen als het terug thuis wonen bij je moeder (nog) niet lukt.
Dit betekent voor jou dat je nu nog even bij [naam] blijft wonen, tot dat het weer bij je moeder kan. Ik weet dat je het liefst nu al terug naar huis wil, maar dat zal misschien nog even moeten wachten. De bedoeling is dat het niet langer duurt dan nodig en het is belangrijk dat jij en je moeder hulp krijgen hoe jullie met elkaar om kunnen gaan.
De Raad voor de Kinderbescherming gaat de komende tijd verder onderzoeken hoe het met jou thuis gaat en hoe het met jou – en ook je broertje – gaat in de situatie tussen je ouders. Er zal iemand van de Raad met jou gaan praten over wat jij ervan vindt. De Raad zal verder met je bespreken hoe het dan verder gaat.
Ik hoop dat mijn beslissing zo duidelijk voor je is. Bedankt voor het gesprek, [minderjarige] . Ik wens je veel goeds de komende tijd.
5.7.
De advocaat van de moeder heeft de kinderrechter verzocht om de broer van [minderjarige] , [de broer], ambtshalve voorlopig onder toezicht te stellen. Naar het oordeel van de kinderrechter biedt de wet hiertoe geen mogelijkheid en is een dergelijke beslissing alleen te rechtvaardigen indien sprake is van een crisissituatie en duidelijke ernstige zorgen. De kinderrechter ziet met de Raad onvoldoende spoedeisende redenen. Hoewel het vermoeden van een ontwikkelingsbedreiging bij [de broer] er bij de Raad toe heeft geleid dat deze het beschermingsonderzoek naar [minderjarige] heeft uitgebreid naar ook [de broer], is vooralsnog niet gebleken dat de zorgen om [de broer] van dien aard zijn, dat er gesproken moet worden van een crisissituatie die een dergelijke maatregel rechtvaardigt. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat de GI tijdens de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] , ook oog heeft voor [de broer] en daar waar nodig de samenwerking zal zoeken met het CJG.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 12 februari 2025 tot 29 april 2025;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg binnen het netwerk met ingang van 12 februari 2025 tot 29 april 2025;
6.3.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 20 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan, voor zover deze ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing, worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Artikel 1:255 en 1:257 Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).