Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-22
ECLI:NL:RBZWB:2025:3046
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
8,504 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 10896132 \ CV EXPL 24-283
Vonnis van 22 januari 2025
in de zaak van
BKS SERVICE B.V.,
te Tiel,
eiseres,
hierna te noemen: BKS,
gemachtigde: mr. A.G.W. van Kessel,
tegen
1 [V.O.F.] , 2. [vennoot 1] , vennoot van gedaagde sub 1, 3. [vennoot 2] , vennoot van gedaagde sub 1,
te [plaats] ,
gedaagden,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: mr. P.M. Jongeling.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 mei 2024 met de daarin genoemde processtukken;
- de mondelinge behandeling van 9 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. Op basis van deze overeenkomst heeft BKS diverse wasmachines en drogers herplaatst en aangesloten en zijn er aanpassingen gedaan aan het leiding- en installatiewerk op de nieuwe bedrijfslocatie van [gedaagden].
2.2.
BKS heeft voordien, op 16 januari 2023, een kostenbegroting met stelposten opgemaakt met een totaalbedrag van € 22.900,00 exclusief btw. Een aantal van die werkzaamheden is door [gedaagden] zelf uitgevoerd. BKS is in februari 2023 met de werkzaamheden aangevangen. De laatste werkzaamheden zijn door BKS op 31 maart 2023 uitgevoerd.
2.3.
Bij factuur van 20 april 2023 heeft BKS een bedrag van € 13.888,68 inclusief btw voor haar werkzaamheden bij [gedaagden] in rekening gebracht. De factuur is opgesteld aan de hand van de door BKS gemaakte uren waarbij een uurtarief van € 70,00 exclusief btw is gehanteerd. De uiterste betaaldatum was 4 mei 2023.
2.4.
BKS heeft [gedaagden] op 7 augustus 2023 per e-mail gesommeerd om de factuur alsnog te betalen. [gedaagden] heeft daarop gereageerd dat zij het niet eens is met de factuur en heeft BKS verzocht om een redelijk voorstel te doen en haar een aangepaste factuur toe te sturen.
2.5.
Op 15 augustus 2023 heeft BKS aangegeven dat zij een deel van de voorrijkosten heeft gecrediteerd. Daarnaast heeft zij een tweede factuur toegezonden met een bedrag van € 3.271,54 inclusief btw en een uiterste betaaldatum van 14 september 2023. Het totaalbedrag – inclusief verrekening van de gecrediteerde voorrijkosten – komt daarmee op € 16.797,22 inclusief btw. [gedaagden] heeft dit bedrag niet betaald.
Geschil
3.1.
BKS vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] te veroordelen tot betaling van:
I. een bedrag van € 16.797,22;
II. de wettelijke handelsrente tot 28 november 2023 van € 983,42, te vermeerderen tot aan de dag van volledige betaling;
III. de incassokosten van € 1.329,74;
IV. de proceskosten.
3.2.
BKS legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] op grond van de overeenkomst gehouden is om de facturen te voldoen. Het werk is medio maart 2023 opgeleverd en [gedaagden] heeft het werk stilzwijgend aanvaard. [gedaagden] is jegens BKS in betalingsverzuim en schadeplichtig.
3.3.
[gedaagden] betwist de facturen van BKS. [gedaagden] voert daartoe aan dat er geen oplevering heeft plaatsgevonden, dat het werk niet goed is uitgevoerd en dat BKS schade heeft veroorzaakt. Daarnaast heeft [gedaagden] het grootste gedeelte van de werkzaamheden zelf uitgevoerd, zijn er uren en kosten doorberekend die niet zijn gemaakt dan wel overeengekomen en zijn partijen geen uurtarief overeengekomen. [gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van BKS met veroordeling van BKS in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Vast staat dat tussen partijen een overeenkomst tot aanneming van werk zoals bedoeld in artikel 7:750 BW tot stand is gekomen. Op basis daarvan heeft BKS werkzaamheden uitgevoerd. Tussen partijen is in geschil of het werk is opgeleverd en aanvaard, of er goed en deugdelijk werk is geleverd, welk bedrag voor het werk gerekend mag worden en welke overige kosten in rekening gebracht mogen worden.
De oplevering van het werk
4.2.
De kantonrechter wijst met betrekking tot de oplevering eerst op het volgende. Een oplevering heeft belangrijke gevolgen. Na oplevering is de opdrachtgever de prijs van het werk verschuldigd (artikel 6:38 BW). Verder is na oplevering het werk voor risico van de opdrachtgever (artikel 7:758 lid 2 BW) en is de aannemer ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken (artikel 7:758 lid 3 BW).
4.3.
BKS stelt dat een officieel oplevermoment heeft plaatsgevonden en dat het werk tezamen met [gedaagden] is gecontroleerd zonder dat dit schriftelijk is vastgelegd. BKS stelt dat er bij de oplevering geen gebreken zijn geconstateerd. [gedaagden] betwist dat er is opgeleverd. Daardoor staat niet vast dat er een oplevermoment heeft plaatsgevonden en dat het werk door [gedaagden] expliciet is aanvaard.
4.4.
Artikel 7:758 BW bepaalt dat indien de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert, de opdrachtgever geacht wordt het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Na de aanvaarding wordt het werk als opgeleverd beschouwd. De kennisgeving van oplevering is vormvrij en kan ook bestaan uit het feitelijk ter beschikking stellen van het werk door de aannemer aan de opdrachtgever. Aanvaarding van het opgeleverde werk is ook vormvrij en kan bestaan in het feitelijk in gebruik nemen van het werk door de opdrachtgever. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
4.5.
BKS stelt dat zij begin maart 2023 te kennen heeft gegeven dat het werk klaar was om te worden opgeleverd. Dit wordt door [gedaagden] niet weersproken. Uit de WhatsApp-correspondentie blijkt echter dat [gedaagden] op 14 maart 2023 nog aan BKS heeft gevraagd wanneer de laatste werkzaamheden zouden worden afgerond. Vervolgens zijn op 20 en 31 maart 2023 nog werkzaamheden door BKS verricht. Tussen partijen staat dus wel vast dat op 31 maart 2023 voor het laatst werkzaamheden door BKS zijn verricht. Ter zitting heeft [gedaagden] toegelicht dat het werk daarmee echter niet afgerond was. BKS betwist dit.
4.6.
[gedaagden] heeft na 31 maart 2023 niet uit zichzelf contact met BKS opgenomen over de klachten die zij stellen te hebben gehad over de uitgevoerde werkzaamheden. Pas op het moment dat BKS contact met [gedaagden] opnam over de onbetaalde factuur van 20 april 2023, heeft [gedaagden] toegelicht waarom zij niet is overgegaan tot betaling van de factuur. De kantonrechter overweegt dat het wel op de weg van [gedaagden] had gelegen om hun klachten over de uitgevoerde werkzaamheden binnen een redelijke termijn aan BKS kenbaar te maken. Uit het dossier blijkt dat [gedaagden] dit op 7 augustus 2023 heeft gedaan, dit is ruim 4 maanden na de laatste werkzaamheden. Ter zitting heeft [gedaagden] nog aangevoerd dat zij voor die tijd nog telefonisch contact met BKS heeft gehad en op dat moment al mondeling hun klachten kenbaar hadden gemaakt. Niet is duidelijk wanneer dit precies is geweest maar wel staat vast dat het initiatief van dat telefonisch contact niet bij [gedaagden] lag en dat dit niet kort na 31 maart 2023 is geweest.
4.7.
Nu de laatste werkzaamheden op 31 maart 2023 hebben plaatsgevonden en [gedaagden] daarna geen contact heeft gezocht, overweegt de kantonrechter dat op 31 maart 2023 het werk feitelijk ter beschikking is gesteld aan [gedaagden]. [gedaagden] heeft het werk niet binnen een redelijke termijn gekeurd en al dan niet onder voorbehoud aanvaard dan wel onder aanwijzing van de gebreken geweigerd.
4.8.
Het voorgaande betekent dat [gedaagden] moet worden geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Het werk moet dus als opgeleverd worden beschouwd.
Risico-overgang en gebreken
4.9.
Een gevolg van de oplevering is dat het werk voor risico van [gedaagden] komt en dat de aannemer is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die [gedaagden] op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Het is aan [gedaagden] om door middel van voldoende feiten en omstandigheden te onderbouwen welke gebreken er zijn en dat de aannemer daar – ondanks de oplevering – alsnog voor aansprakelijk is. Dat heeft [gedaagden] onvoldoende gedaan. De kantonrechter gaat daarom aan dit verweer voorbij.
De prijs van het werk
4.10.
Een ander gevolg is dat [gedaagden] de prijs van het werk verschuldigd is. [gedaagden] betwist echter betaling van de facturen verschuldigd te zijn omdat [gedaagden] het grootste gedeelte van de werkzaamheden zelf heeft uitgevoerd, er uren en kosten zijn doorberekend die niet zijn gemaakt dan wel overeengekomen en omdat er geen uurtarief overeengekomen is. De stelplicht en bewijslast van de (hoogte van de) facturen ligt bij BKS.
4.11.
De enkele omstandigheid dat de facturen zonder protest zijn behouden en zijn voldaan is daarvoor in ieder geval onvoldoende. BKS stelt in dat kader verder dat [gedaagden] haar klachtplicht heeft geschonden door pas op 7 augustus 2023 de factuur te betwisten. De klachtplicht uit artikel 6:89 BW is hier echter niet van toepassing omdat het verzenden van een factuur niet geldt als een prestatie in de zin van artikel 6:89 BW, zodat het een debiteur in beginsel vrij staat om een factuur geruime tijd na de ontvangst ervan te betwisten.
4.12.
De kantonrechter overweegt dat tussen partijen geen vaste prijs (aanneemsom) is afgesproken. Er is door BKS enkel een kostenbegroting met stelposten opgemaakt. Aan de hand daarvan hebben partijen nadere afspraken gemaakt over welke werkzaamheden BKS zou uitvoeren en welke werkzaamheden [gedaagden] zelf zou uitvoeren. Indien geen vaste prijs is overeengekomen, is de opdrachtgever, op grond van artikel 7:752 lid 1 BW een redelijke prijs verschuldigd. Van de aannemer mag worden verwacht dat hij de voor het werk gemaakte kosten deugdelijk administreert, opdat hij die kosten op een transparante wijze zal kunnen verantwoorden en de opdrachtgever die kan controleren. Door BKS is uiteindelijk gefactureerd op basis van de gemaakte uren en een uurtarief van € 70,00. BKS heeft de door haar in rekening gebrachte uren onderbouwd middels werkbonnen.
De in rekening gebrachte uren
4.13.
[gedaagden] voert aan dat niet alle in rekening gebrachte uren ook daadwerkelijk door BKS zijn gemaakt omdat de medewerkers van BKS veel tijd hebben besteed aan pauzes en die tijd dus niet hebben gewerkt. Verder voert [gedaagden] aan dat niet alle in rekening gebrachte uren zijn verantwoord middels werkbonnen en dat die werkbonnen niet door [gedaagden] zijn ondertekend. De kantonrechter overweegt dat het voor het in rekening kunnen brengen van de uren op zichzelf geen vereiste is dat werkbonnen door de opdrachtgever zijn ondertekend. De kantonrechter overweegt verder dat, zoals [gedaagden] terecht aanvoert, niet alle in rekening gebrachte uren door BKS zijn verantwoord middels werkbonnen. Een aantal werkbonnen ontbreekt. Dit zijn de werkbonnen met nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] . Ter zitting heeft BKS dit niet verder toegelicht.
Conclusie
4.18.
Gelet op het voorgaande zal het volgende worden afgewezen en toegewezen. Het deel van de vordering dat ziet op uren die niet middels werkbonnen zijn verantwoord zal worden afgewezen. Dit betreft een bedrag van (36,25 uren x € 70,00 exclusief btw =) € 3.070,38. Ook zal het deel van de vordering dat ziet op de voorrijkosten, brandstoftoeslag en hotelkosten worden afgewezen. Dit betreft een bedrag van (€ 2.141,70 + € 190,58 + € 1.191,67 =) € 3.523,95. Dit betekent dat [gedaagden] een bedrag van (€ 16.797,22 - € 3.070,38 - € 3.523,95 =) € 10.202,89 aan BKS moet betalen. Daartoe zal [gedaagden] worden veroordeeld.
De buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.19.
BKS maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
4.20.
BKS vordert daarnaast een bedrag van € 983,42 aan verschenen rente over het bedrag van € 16.797,22 tot 28 november 2023. Ook vordert BKS de wettelijke handelsrente over voornoemd bedrag vanaf 28 november 2023 tot de dag van volledige betaling. De kantonrechter wijst de gevorderde factuurbedragen ten dele toe. De verschenen rente is over de gehele factuurbedragen berekend en is daardoor te hoog. [gedaagden] moet wel wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag betalen en wel vanaf de datum van verzuim. De kantonrechter zal [gedaagden] daarom veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag vanaf de vervaldata van de facturen.
De proceskosten
4.21.
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter zal hierbij een bedrag van € 885,00 (= deel griffierecht) buiten beschouwing laten nu een lager bedrag wordt toegewezen dan gevorderd. De proceskosten van BKS worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
111,66
- griffierecht
€
524,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.582,66
4.22.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan BKS te betalen een bedrag van € 10.202,89, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 9.998,70 vanaf 5 mei 2023 en over een bedrag van € 204,19 vanaf 30 augustus 2023, telkens tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.582,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [gedaagden] ook de kosten van betekening betalen;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 10896132 \ CV EXPL 24-283
Vonnis van 22 januari 2025
in de zaak van
BKS SERVICE B.V.,
te Tiel,
eiseres,
hierna te noemen: BKS,
gemachtigde: mr. A.G.W. van Kessel,
tegen
1 [V.O.F.] , 2. [vennoot 1] , vennoot van gedaagde sub 1, 3. [vennoot 2] , vennoot van gedaagde sub 1,
te [plaats] ,
gedaagden,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: mr. P.M. Jongeling.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 mei 2024 met de daarin genoemde processtukken;
- de mondelinge behandeling van 9 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. Op basis van deze overeenkomst heeft BKS diverse wasmachines en drogers herplaatst en aangesloten en zijn er aanpassingen gedaan aan het leiding- en installatiewerk op de nieuwe bedrijfslocatie van [gedaagden].
2.2.
BKS heeft voordien, op 16 januari 2023, een kostenbegroting met stelposten opgemaakt met een totaalbedrag van € 22.900,00 exclusief btw. Een aantal van die werkzaamheden is door [gedaagden] zelf uitgevoerd. BKS is in februari 2023 met de werkzaamheden aangevangen. De laatste werkzaamheden zijn door BKS op 31 maart 2023 uitgevoerd.
2.3.
Bij factuur van 20 april 2023 heeft BKS een bedrag van € 13.888,68 inclusief btw voor haar werkzaamheden bij [gedaagden] in rekening gebracht. De factuur is opgesteld aan de hand van de door BKS gemaakte uren waarbij een uurtarief van € 70,00 exclusief btw is gehanteerd. De uiterste betaaldatum was 4 mei 2023.
2.4.
BKS heeft [gedaagden] op 7 augustus 2023 per e-mail gesommeerd om de factuur alsnog te betalen. [gedaagden] heeft daarop gereageerd dat zij het niet eens is met de factuur en heeft BKS verzocht om een redelijk voorstel te doen en haar een aangepaste factuur toe te sturen.
2.5.
Op 15 augustus 2023 heeft BKS aangegeven dat zij een deel van de voorrijkosten heeft gecrediteerd. Daarnaast heeft zij een tweede factuur toegezonden met een bedrag van € 3.271,54 inclusief btw en een uiterste betaaldatum van 14 september 2023. Het totaalbedrag – inclusief verrekening van de gecrediteerde voorrijkosten – komt daarmee op € 16.797,22 inclusief btw. [gedaagden] heeft dit bedrag niet betaald.
Geschil
3.1.
BKS vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] te veroordelen tot betaling van:
I. een bedrag van € 16.797,22;
II. de wettelijke handelsrente tot 28 november 2023 van € 983,42, te vermeerderen tot aan de dag van volledige betaling;
III. de incassokosten van € 1.329,74;
IV. de proceskosten.
3.2.
BKS legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] op grond van de overeenkomst gehouden is om de facturen te voldoen. Het werk is medio maart 2023 opgeleverd en [gedaagden] heeft het werk stilzwijgend aanvaard. [gedaagden] is jegens BKS in betalingsverzuim en schadeplichtig.
3.3.
[gedaagden] betwist de facturen van BKS. [gedaagden] voert daartoe aan dat er geen oplevering heeft plaatsgevonden, dat het werk niet goed is uitgevoerd en dat BKS schade heeft veroorzaakt. Daarnaast heeft [gedaagden] het grootste gedeelte van de werkzaamheden zelf uitgevoerd, zijn er uren en kosten doorberekend die niet zijn gemaakt dan wel overeengekomen en zijn partijen geen uurtarief overeengekomen. [gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van BKS met veroordeling van BKS in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Vast staat dat tussen partijen een overeenkomst tot aanneming van werk zoals bedoeld in artikel 7:750 BW tot stand is gekomen. Op basis daarvan heeft BKS werkzaamheden uitgevoerd. Tussen partijen is in geschil of het werk is opgeleverd en aanvaard, of er goed en deugdelijk werk is geleverd, welk bedrag voor het werk gerekend mag worden en welke overige kosten in rekening gebracht mogen worden.
De oplevering van het werk
4.2.
De kantonrechter wijst met betrekking tot de oplevering eerst op het volgende. Een oplevering heeft belangrijke gevolgen. Na oplevering is de opdrachtgever de prijs van het werk verschuldigd (artikel 6:38 BW). Verder is na oplevering het werk voor risico van de opdrachtgever (artikel 7:758 lid 2 BW) en is de aannemer ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken (artikel 7:758 lid 3 BW).
4.3.
BKS stelt dat een officieel oplevermoment heeft plaatsgevonden en dat het werk tezamen met [gedaagden] is gecontroleerd zonder dat dit schriftelijk is vastgelegd. BKS stelt dat er bij de oplevering geen gebreken zijn geconstateerd. [gedaagden] betwist dat er is opgeleverd. Daardoor staat niet vast dat er een oplevermoment heeft plaatsgevonden en dat het werk door [gedaagden] expliciet is aanvaard.
4.4.
Artikel 7:758 BW bepaalt dat indien de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert, de opdrachtgever geacht wordt het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Na de aanvaarding wordt het werk als opgeleverd beschouwd. De kennisgeving van oplevering is vormvrij en kan ook bestaan uit het feitelijk ter beschikking stellen van het werk door de aannemer aan de opdrachtgever. Aanvaarding van het opgeleverde werk is ook vormvrij en kan bestaan in het feitelijk in gebruik nemen van het werk door de opdrachtgever. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
4.5.
BKS stelt dat zij begin maart 2023 te kennen heeft gegeven dat het werk klaar was om te worden opgeleverd. Dit wordt door [gedaagden] niet weersproken. Uit de WhatsApp-correspondentie blijkt echter dat [gedaagden] op 14 maart 2023 nog aan BKS heeft gevraagd wanneer de laatste werkzaamheden zouden worden afgerond. Vervolgens zijn op 20 en 31 maart 2023 nog werkzaamheden door BKS verricht. Tussen partijen staat dus wel vast dat op 31 maart 2023 voor het laatst werkzaamheden door BKS zijn verricht. Ter zitting heeft [gedaagden] toegelicht dat het werk daarmee echter niet afgerond was. BKS betwist dit.
4.6.
[gedaagden] heeft na 31 maart 2023 niet uit zichzelf contact met BKS opgenomen over de klachten die zij stellen te hebben gehad over de uitgevoerde werkzaamheden. Pas op het moment dat BKS contact met [gedaagden] opnam over de onbetaalde factuur van 20 april 2023, heeft [gedaagden] toegelicht waarom zij niet is overgegaan tot betaling van de factuur. De kantonrechter overweegt dat het wel op de weg van [gedaagden] had gelegen om hun klachten over de uitgevoerde werkzaamheden binnen een redelijke termijn aan BKS kenbaar te maken. Uit het dossier blijkt dat [gedaagden] dit op 7 augustus 2023 heeft gedaan, dit is ruim 4 maanden na de laatste werkzaamheden. Ter zitting heeft [gedaagden] nog aangevoerd dat zij voor die tijd nog telefonisch contact met BKS heeft gehad en op dat moment al mondeling hun klachten kenbaar hadden gemaakt. Niet is duidelijk wanneer dit precies is geweest maar wel staat vast dat het initiatief van dat telefonisch contact niet bij [gedaagden] lag en dat dit niet kort na 31 maart 2023 is geweest.
4.7.
Nu de laatste werkzaamheden op 31 maart 2023 hebben plaatsgevonden en [gedaagden] daarna geen contact heeft gezocht, overweegt de kantonrechter dat op 31 maart 2023 het werk feitelijk ter beschikking is gesteld aan [gedaagden]. [gedaagden] heeft het werk niet binnen een redelijke termijn gekeurd en al dan niet onder voorbehoud aanvaard dan wel onder aanwijzing van de gebreken geweigerd.
4.8.
Het voorgaande betekent dat [gedaagden] moet worden geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Het werk moet dus als opgeleverd worden beschouwd.
Risico-overgang en gebreken
4.9.
Een gevolg van de oplevering is dat het werk voor risico van [gedaagden] komt en dat de aannemer is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die [gedaagden] op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Het is aan [gedaagden] om door middel van voldoende feiten en omstandigheden te onderbouwen welke gebreken er zijn en dat de aannemer daar – ondanks de oplevering – alsnog voor aansprakelijk is. Dat heeft [gedaagden] onvoldoende gedaan. De kantonrechter gaat daarom aan dit verweer voorbij.
De prijs van het werk
4.10.
Een ander gevolg is dat [gedaagden] de prijs van het werk verschuldigd is. [gedaagden] betwist echter betaling van de facturen verschuldigd te zijn omdat [gedaagden] het grootste gedeelte van de werkzaamheden zelf heeft uitgevoerd, er uren en kosten zijn doorberekend die niet zijn gemaakt dan wel overeengekomen en omdat er geen uurtarief overeengekomen is. De stelplicht en bewijslast van de (hoogte van de) facturen ligt bij BKS.
4.11.
De enkele omstandigheid dat de facturen zonder protest zijn behouden en zijn voldaan is daarvoor in ieder geval onvoldoende. BKS stelt in dat kader verder dat [gedaagden] haar klachtplicht heeft geschonden door pas op 7 augustus 2023 de factuur te betwisten. De klachtplicht uit artikel 6:89 BW is hier echter niet van toepassing omdat het verzenden van een factuur niet geldt als een prestatie in de zin van artikel 6:89 BW, zodat het een debiteur in beginsel vrij staat om een factuur geruime tijd na de ontvangst ervan te betwisten.
4.12.
De kantonrechter overweegt dat tussen partijen geen vaste prijs (aanneemsom) is afgesproken. Er is door BKS enkel een kostenbegroting met stelposten opgemaakt. Aan de hand daarvan hebben partijen nadere afspraken gemaakt over welke werkzaamheden BKS zou uitvoeren en welke werkzaamheden [gedaagden] zelf zou uitvoeren. Indien geen vaste prijs is overeengekomen, is de opdrachtgever, op grond van artikel 7:752 lid 1 BW een redelijke prijs verschuldigd. Van de aannemer mag worden verwacht dat hij de voor het werk gemaakte kosten deugdelijk administreert, opdat hij die kosten op een transparante wijze zal kunnen verantwoorden en de opdrachtgever die kan controleren. Door BKS is uiteindelijk gefactureerd op basis van de gemaakte uren en een uurtarief van € 70,00. BKS heeft de door haar in rekening gebrachte uren onderbouwd middels werkbonnen.
De in rekening gebrachte uren
4.13.
[gedaagden] voert aan dat niet alle in rekening gebrachte uren ook daadwerkelijk door BKS zijn gemaakt omdat de medewerkers van BKS veel tijd hebben besteed aan pauzes en die tijd dus niet hebben gewerkt. Verder voert [gedaagden] aan dat niet alle in rekening gebrachte uren zijn verantwoord middels werkbonnen en dat die werkbonnen niet door [gedaagden] zijn ondertekend. De kantonrechter overweegt dat het voor het in rekening kunnen brengen van de uren op zichzelf geen vereiste is dat werkbonnen door de opdrachtgever zijn ondertekend. De kantonrechter overweegt verder dat, zoals [gedaagden] terecht aanvoert, niet alle in rekening gebrachte uren door BKS zijn verantwoord middels werkbonnen. Een aantal werkbonnen ontbreekt. Dit zijn de werkbonnen met nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] . Ter zitting heeft BKS dit niet verder toegelicht.
Conclusie
4.18.
Gelet op het voorgaande zal het volgende worden afgewezen en toegewezen. Het deel van de vordering dat ziet op uren die niet middels werkbonnen zijn verantwoord zal worden afgewezen. Dit betreft een bedrag van (36,25 uren x € 70,00 exclusief btw =) € 3.070,38. Ook zal het deel van de vordering dat ziet op de voorrijkosten, brandstoftoeslag en hotelkosten worden afgewezen. Dit betreft een bedrag van (€ 2.141,70 + € 190,58 + € 1.191,67 =) € 3.523,95. Dit betekent dat [gedaagden] een bedrag van (€ 16.797,22 - € 3.070,38 - € 3.523,95 =) € 10.202,89 aan BKS moet betalen. Daartoe zal [gedaagden] worden veroordeeld.
De buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.19.
BKS maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
4.20.
BKS vordert daarnaast een bedrag van € 983,42 aan verschenen rente over het bedrag van € 16.797,22 tot 28 november 2023. Ook vordert BKS de wettelijke handelsrente over voornoemd bedrag vanaf 28 november 2023 tot de dag van volledige betaling. De kantonrechter wijst de gevorderde factuurbedragen ten dele toe. De verschenen rente is over de gehele factuurbedragen berekend en is daardoor te hoog. [gedaagden] moet wel wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag betalen en wel vanaf de datum van verzuim. De kantonrechter zal [gedaagden] daarom veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag vanaf de vervaldata van de facturen.
De proceskosten
4.21.
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter zal hierbij een bedrag van € 885,00 (= deel griffierecht) buiten beschouwing laten nu een lager bedrag wordt toegewezen dan gevorderd. De proceskosten van BKS worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
111,66
- griffierecht
€
524,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.582,66
4.22.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan BKS te betalen een bedrag van € 10.202,89, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 9.998,70 vanaf 5 mei 2023 en over een bedrag van € 204,19 vanaf 30 augustus 2023, telkens tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.582,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [gedaagden] ook de kosten van betekening betalen;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025.