Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-05-15
ECLI:NL:RBZWB:2025:3033
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,046 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6408 PW
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
15 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. I.A.C. Cools),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek (het college), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser in het kader van zijn recht op een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet.
1.1.
Het college heeft met het besluit van 18 september 2023 de aanvraag van eiser voor een individuele inkomenstoeslag afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.2.
Met het bestreden besluit van 11 juli 2024 heeft het college het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Het college overweegt echter dat eiser nog steeds geen recht heeft op een individuele inkomenstoeslag.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens het college mr. J. Gielen en [persoon] .
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De rechtbank stelt vast dat de peildatum voor de beoordeling van eisers aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag 16 juni 2022 is (een jaar na toekenning van de vorige inkomenstoeslag) en dat de referteperiode dus loopt vanaf 16 juni 2019 tot 16 juni 2022.
3. Het college heeft dan ook, zoals blijkt uit het verweerschrift, terecht beoordeeld of eisers inkomen in de periode van juni 2021 tot en met mei 2022 hoger was dan 110% van de door hem geldende norm.
4. Deze norm is de bijstandsnorm in artikel 21 van de Participatiewet.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat het college - in het voordeel van eiser - gerekend heeft met een norm zonder vakantietoeslag, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. De rechtbank stelt vast dat 110% van de voor eiser geldende bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag) over juni 2021 tot en met mei 2022 € 13.591,41 is.
5. De rechtbank stelt vast dat het college bij de berekening van het inkomen van eiser heeft gerekend met de door hem feitelijk ontvangen bedragen en daarbij - opnieuw in het voordeel van eiser - rekening heeft gehouden met het gelegde loonbeslag. Hoewel de rechtbank sterk betwijfelt of daarmee rekening had hoeven te worden gehouden, gaat zij uit van deze berekening.
5.1.
Het college heeft bij deze berekening terecht geen rekening gehouden met de huurtoeslag die eiser heeft moeten terugbetalen. Huurtoeslag is namelijk geen inkomen in de zin van de Participatiewet, zodat de terugbetaling daarvan ook niet kan worden aangemerkt als negatief inkomen.
5.2.
Ter zitting heeft eiser daarnaast aangevoerd dat hij over september 2021 een deel van zijn uitkering heeft moeten terugbetalen. De rechtbank stelt vast dat het college bij de berekening van eisers inkomsten over september 2021 is uitgegaan van € 707,34 aan ontvangen bijstandsuitkering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat bij dit bedrag reeds rekening is gehouden met de later terugbetaalde bijstandsuitkering, aangezien dit bedrag veel lager is dan de bijstandsnorm.
6. Bij vergelijking van de voor eiser geldende norm met zijn inkomen zoals berekend door het college in het verweerschrift, blijkt dat eisers inkomen hoger is dan deze norm. Ook uit de door eiser zelf overgelegde berekeningen blijkt dat zijn inkomen hoger is dan deze norm. Nu uit de berekeningen zowel van het college als van eiser blijkt dat zijn inkomen hoger is dan de geldende norm, heeft het college de aanvraag van eiser voor een individuele inkomenstoeslag terecht afgewezen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 21
Voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder zonder kostendelende medebewoners:
€ 1.075,44 (per 1 januari 2021);
€ 1.078,70 (per 1 juli 2021);
€ 1.091,71 (per 1 januari 2022);
b. (…)
Artikel 36. Individuele inkomenstoeslag
1. Op aanvraag van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, kan het college, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.
(…)
3. Indien aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, in de periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag, een individuele inkomenstoeslag is verleend, wordt de aanvraag afgewezen.
Verordening Individuele Inkomenstoeslag 2017 gemeente Hilvarenbeek
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
(…)
d. Peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt;
e. Referteperiode: periode van drie jaar (36 maanden) voorafgaand aan de peildatum;
f. Individuele inkomenstoeslag: toeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de wet;
(…)
j. Voor de individuele inkomenstoeslag gaan we uit van de volgende normen:
norm gehuwden: de norm zoals genoemd in artikel 21 sub b Participatiewet;
norm alleenstaande ouder: 90% van de norm gehuwden;
norm alleenstaande: 70% van de norm gehuwden.
k. Laag inkomen: 110% van de onder j beschreven normen.
Artikel 2 Voorwaarden
1. Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de wet komt in aanmerking voor de Individuele inkomenstoeslag de belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan de AOW gerechtigde leeftijd, die gedurende de referteperiode aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan 110% van de voor hem geldende norm, zoals opgenomen in artikel 1 van deze Verordening, gemiddeld per jaar en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet.
(…)
5. Voor toepassing van het eerste, tweede en vierde lid is de situatie op de peildatum bepalend.