Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-05-20
ECLI:NL:RBZWB:2025:3021
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,244 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11255
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 november 2023. Het beroep ziet op de aanslag gecombineerde heffingen over het jaar 2023 voor het object [adres] met aanslagnummer [nummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat bij het bezwaar geen juiste machtiging was ingediend en het bezwaarschrift buiten de termijn is ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander bezwaar indient, moet op verzoek van het bestuursorgaan een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander bezwaar mag indienen. Als dat niet gebeurt, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.
Is een (juiste) machtiging ingediend?
4. Het bezwaarschrift is ingediend door mr. D.A.N. Bartels. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het bezwaarschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om dit bezwaar in te dienen namens belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft hem bij brief van 3 november 2023 verzocht om binnen drie weken dit verzuim te herstellen en een schriftelijke machtiging te overleggen (niet ouder dan één jaar).
4.1.
Op 8 november 2023 heeft mr. D.A.N. Bartels gereageerd en een machtiging ingediend. De machtiging is ondertekend op 2 mei 2022. Op de machtiging staat met grote letters 2022 geschreven.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de in bezwaar overgelegde machtiging niet ziet op de procedure over 2023. Belanghebbende heeft de machtiging gespecificeerd door een specifiek jaartal van de aanslag (2022) te noemen. Gelet op de e-mail van 2 mei 2022 waarin belanghebbende in het onderwerp van de e-mail alsook in de bestandsnaam van de volmacht expliciet de WOZ-beschikking 2022 noemt, ziet de overgelegde machtiging niet op onderhavige procedure. Verder ziet de e-mail van 28 oktober 2023 op een ander aanslagbiljet met dagtekening 31 oktober 2023. Er is geen enkel bewijs overgelegd dat belanghebbende mr. D.A.N. Bartels ook heeft gemachtigd voor een procedure over de aanslag gecombineerde heffingen 2023 die zijn geheven bij aanslagbiljet van 31 mei 2023.
Conclusie
5. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat verzuim kan niet in beroep worden hersteld. De omstandigheid dat in beroep een machtiging voor 2023 is overgelegd kan het verzuim in bezwaar niet meer herstellen. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Immateriële schadevergoeding
6. Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade als gevolg van het overschrijden van de redelijke termijn. Omdat de redelijke behandeltermijn in eerste aanleg niet is overschreden, wijst de rechtbank dit verzoek af.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 20 mei 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:6 van de Awb.
Zie uitspraak Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.