Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-05-16
ECLI:NL:RBZWB:2025:2970
Strafrecht
Op tegenspraak
3,225 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02-138455-23
vonnis van de meervoudige kamer van 16 mei 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1980, te [geboorteplaats] , [land] ,
laatst opgegeven woon- of verblijfplaats: [adres] .
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 november 2024 en 2 mei 2025. Verdachte is op de zitting van 2 mei 2025 niet verschenen. De officier van justitie, mr. M.A.M. Dekkers, heeft haar standpunt kenbaar gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 november 2021 tot en met 9 december 2022 muziekapparatuur van zijn werkgever heeft verduisterd of gestolen.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde verduistering van muziekapparatuur, gelet op de aangifte van [aangever] en de muziekapparatuur van [aangever] die bij verdachte in zijn woning, in een door hem gehuurde opslag in Goes, en in een aanhangwagen werden aangetroffen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
Verdachte heeft zich bij de politie op het standpunt gesteld dat hij diverse goederen uit de container heeft gehaald bij het bedrijf. Ter zitting van 13 november 2024 heeft hij gesteld dat hij toestemming van het bedrijf had om goederen uit de container te halen en te verkopen. De nieuwe spullen die bij hem zijn aangetroffen, heeft hij zwart aangekocht via een Marokkaan.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Uit de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen volgt dat [aangever] op 20 december 2022 aangifte deed namens zijn bedrijf [bedrijf aangever] van verduistering, dan wel diefstal. Hij had van een medewerker gehoord dat er goederen van [bedrijf aangever] te koop werden aangeboden in Roemenië. De verkoper was door deze medewerker gefotografeerd en werd door [aangever] herkend als verdachte, die vanaf 1 november 2021 tot en met 9 december 2022 bij hem werkzaam was geweest als chauffeur. In die hoedanigheid vervoerde verdachte goederen van [aangever] naar winkels en distributiecentra.
[aangever] meldde zich op 13 januari 2023 wederom bij de politie omdat zijn broer de vrouw van verdachte tegenkwam, haar volgde en zijn broer door het raam van de woning apparatuur zag staan die aan [aangever] toebehoorde. Later die dag werd in een self-storage die verdachte had gehuurd in Goes diverse muziekapparatuur aangetroffen die toebehoorde aan [bedrijf aangever] . Verder stond op de parkeerplaats van de self-storage een aanhangwagen met daarin muziekapparatuur van [bedrijf aangever] . Het ging om in totaal 136 artikelen, waarvan 61 artikelen nog nieuw en onbeschadigd in de originele verpakking zaten. De overige goederen waren onverpakt en soms ook met wat schade. Slechts een klein aantal producten was volgens [aangever] zo beschadigd dat dat in de container zou belanden.
Verdachte wordt primair verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking van de in Goes aangetroffen goederen. Om tot een bewezenverklaring van verduistering in dienstbetrekking te komen, dient vast te staan dat hij de spullen uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep onder zich had. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake. Immers, verdachte was werkzaam als chauffeur, was in dienst bij [bedrijf aangever] en vervoerde ook daadwerkelijk deze goederen. Hij had dus uit hoofde van zijn functie als chauffeur de beschikking over soortgelijke goederen.
De verklaring van verdachte over hoe hij aan de goederen kwam, is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig. Verdachte heeft daarover wisselend verklaard. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij de goederen deels uit de container heeft gehaald en deels heeft gekocht bij een Marokkaan. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij geen toestemming had om goederen mee te nemen en ter zitting van 13 november 2024 heeft hij verklaard hij dat hij wel toestemming had van [aangever] om spullen uit de container mee te nemen. Uit de verklaring van [aangever] blijkt dat het overgrote deel van de aangetroffen goederen nooit in de container terecht kan zijn gekomen en dat het bedrijf daadwerkelijk goederen miste, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat het goederen zijn geweest waarover verdachte beschikte in zijn hoedanigheid van chauffeur. Verdachte heeft bovendien geen nadere gegevens over de Marokkaanse man of anderszins over de gestelde aankoop van die goederen gegeven, nog daargelaten dat het vreemd zou zijn dat verdachte, die zelf de beschikking had over de goederen, door een derde zou zijn benaderd om zulke goederen te kopen.
Dan is vervolgens de vraag of kan worden bewezen dat verdachte zich deze goederen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Naar het oordeel van de rechtbank is ook daarvan sprake, nu verdachte de goederen onder zich heeft gehouden in zijn woning en in de loods. De rechtbank stelt vast dat van toestemming van [aangever] niet is gebleken en dat [aangever] ook expliciet heeft gemeld dat er nooit toestemming werd gegeven aan werknemers, dus ook niet aan verdachte, om spullen uit de container of elders mee te nemen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich de muziekapparatuur wederrechtelijk heeft toegeëigend terwijl hij die goederen onder zich had uit hoofde van zijn functie als vrachtwagenchauffeur van [bedrijf aangever] . Dit maakt dat de primair ten laste gelegde verduistering in dienstbetrekking wettig en overtuigend bewezen kan worden.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Primair:
in de periode van 1 november 2021 tot en met 9 december 2022 in Nederland en/of België, opzettelijk, muziekinstrumenten, audioapparatuur, verlichting, diskjockey producten, podiumapparatuur en aanverwante producten, toebehorende aan [bedrijf aangever] B.V., en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als vrachtwagenchauffeur van [bedrijf aangever] B.V., onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
6.2
Beoordeling
Verdachte heeft zich over een langere periode schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking. Alleen al bij de aangetroffen goederen in de loods gaat het om een bedrag van ruim 52.000 euro. Hij was werkzaam als chauffeur voor het bedrijf en genoot daarbij het vertrouwen van zijn werkgever. Verdachte heeft het vertrouwen dat zijn werkgever in hem mocht stellen, met zijn handelen ernstig geschonden. Hij heeft hiermee zijn werkgever bovendien een groot financieel nadeel toegebracht. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Daarbij veroorzaken dit soort feiten onrust en verontwaardiging in de maatschappij.
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 26 september 2024, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld.
Een taakstraf is niet passend, enerzijds gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en anderzijds omdat niet bekend is of verdachte een vaste woon-of verblijfplaats in Nederland heeft en een taakstraf daarom lastig dan wel niet uitvoerbaar is. Dat maakt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie is. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met vier maanden is overschreden. Verdachte is op 13 januari 2023 als verdachte verhoord. In een zaak als de onderhavige geldt als uitgangspunt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis dient te worden gewezen.
Alles overwegende zal de rechtbank conform de eis van de officier van justitie aan verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
7De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Primair: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke
dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie (3) maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter, mr. G.H. Nomes en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 mei 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij, in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 9 december 2022 teGoes, Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland en/of België,opzettelijk,een of meer muziekinstrumenten, audioapparatuur, verlichting, diskjockeyproducten, podiumapparatuur en aanverwante producten, in elk geval enig goed,dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf aangever] B.V., in elk geval aan een ander ofanderen dan aan verdachte,en welk goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking,te weten als vrachtwagenchauffeur van [bedrijf aangever] B.V., in elk geval anders dan doormisdrijf onder zich had,wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
( art 321 Wetboek van Strafrecht, art 322 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij, in of omstreeks de periode 1 november 2021 tot en met 9 december 2022 teGoes, Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland en/of België,een of meer muziekinstrumenten, audioapparatuur, verlichting, diskjockeyproducten, podiumapparatuur en aanverwante producten, in elk geval enig goed,dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf aangever] B.V., in elk geval aan een ander ofanderen dan aan verdachte,heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 310 Wetboek van Strafrecht )