Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-05-07
ECLI:NL:RBZWB:2025:2887
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
6,414 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/434551 / JE RK 25-747
Datum uitspraak: 7 mei 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp in het kader van de jeugdreclassering
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING &
JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de Gl.
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. G. Demir te Breda.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het nadere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de tussenbeschikking van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 24 april 2025, met de daarin genoemde stukken;
de instemmingsverklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper dhr. [naam 1] van 24 april 2025, ontvangen op 2 mei 2025.
1.2.
Aan [minderjarige] is als advocaat toegevoegd, mr. G. Demir, te Breda.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 mei 2025. De kinderrechter heeft de zaken vanwege de samenhang gelijktijdig met zaaknummer C/02/434416 / JE RK 25-721 behandeld. Op zaaknummer C/02/434416 / JE RK 25-721 wordt per separate beschikking beslist. Daarbij waren aanwezig:
mr. Huseinovic, als waarnemend advocaat voor mr. Demir;
een vertegenwoordiger namens de GI;
een vertegenwoordiger namens het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen;
een vertegenwoordiger namens de Raad;
de vader, bijgestaan door een tolk in de Arabische taal dhr. [naam 2] .
1.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is [minderjarige] niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] juist is opgeroepen en dat hij, zo volgt uit de informatie van de GI, ook op de hoogte was van de datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling. De kinderrechter concludeert dan ook dat [minderjarige] niet bereid is zich te doen horen.
Feiten
2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 4 april 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 4 april 2024 en tot 18 april 2024. Het resterende deel
van het verzoek is aangehouden.
2.3.
Bij beschikking van 9 april 2024 is het resterende deel van het voorgaande verzoek
toegewezen en heeft de kinderrechter een spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en
te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van
twee weken, met ingang 18 april 2024 en tot 2 mei 2024.
2.4.
Bij beschikking van 30 april 2024 is de GI niet-ontvankelijk verklaard in haar
verzoek tot verlening van een machtiging om [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven.
2.5.
Bij beschikking van 1 mei 2024 is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen
opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang
van 1 mei 2024 en tot I september 2024.
2.6.
Bij beschikking van 23 augustus 2024 is een machtiging verleend om [minderjarige] te
doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met
ingang van 1 september 2024 en tot 1 december 2024.
2.7.
Bij beschikking van 24 april 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 24 april 2025 en tot 8 mei 2025. Het resterende deel
van het verzoek is aangehouden.
2.8.
[minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging bij [accommodatie] . Uit de informatie van de GI blijkt dat [minderjarige] zich ten tijde van de mondelinge behandeling heeft onttrokken en is weggelopen bij [accommodatie] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt op grond van artikel 6.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet (hierna: Jw) een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van vier weken. De GI verzoekt deze beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van de
belanghebbenden. Aansluitend verzoekt de GI op grond van artikel 6.1.2, eerste lid, Jw een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor bovengenoemde minderjarige te verlenen voor de
duur van twee maanden.
3.2.
Momenteel ligt ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping met ingang van heden van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het spoedverzoek om een machtiging voor gesloten jeugdhulp af te geven met ingang van 8 mei 2025 en tot 22 mei 2025. Hiernaast ligt nog voor het reguliere verzoek om een machtiging voor gesloten jeugdhulp af te geven voor de duur van twee maanden.
3.3.
Uit de instemmingsverklaring van 24 april 2025 volgt dat de onafhankelijke gedragswetenschapper, drs. [naam 1] , die [minderjarige] in persoon heeft gesproken, instemt met de verzoeken van de GI.
4De standpunten
4.1.
De (waarnemend) advocaat van [minderjarige] heeft naar voren gebracht dat zij niet uitdrukkelijk is gemachtigd. Na 30 april 2025 hebben zowel mr. Demir als de waarnemend advocaat [minderjarige] niet meer gesproken. Om die reden is het onduidelijk wat op dit moment het standpunt van [minderjarige] is en kan zij namens [minderjarige] niets naar voren brengen.
4.2.
De GI handhaaft het verzoek. Er zijn veel zorgen over [minderjarige] , zoals is omschreven in het verzoekschrift. De GI licht nog toe dat het spoedverzoek is ingediend naar aanleiding van de opheffing van de voorlopige hechtenis van [minderjarige] . Kort na de beslissing op het spoedverzoek is [minderjarige] op 30 april 2025 bij [accommodatie] weggelopen. [minderjarige] is op 3 mei 2025 teruggekomen en vervolgens op 4 mei 2025 opnieuw weggelopen. Dit nadat hij met een groepsgenoot een groepsleider heeft gedreigd om neer te steken, waarna [minderjarige] via het kantoorraam van [accommodatie] is weggegaan. Er zijn signalen dat [minderjarige] mogelijk drugs rondom [accommodatie] aan het dealen is. In het strafrechtelijke kader lopen er bijzondere voorwaarden, welke [minderjarige] momenteel overtreedt. De GI kan op dit moment echter geen terugmelding doen. Dit kan alleen als [accommodatie] de gesloten machtiging opschort. Verder vindt de GI het een goed idee als er – naast de jeugdreclasseringsmaatregel – een ondertoezichtstelling zou zijn. Er is civielrechtelijk veel aan de hand. Naast de relatie met de vader, is de plaatsing van [minderjarige] bij [woonzorggroep] in [plaats] vrijwillig. Als er een dubbele maatregel zou zijn, kunnen de zaken beter worden gescheiden en is er meer aandacht voor de problematiek van [minderjarige] . De GI spreekt de hoop uit dat [minderjarige] snel terecht komt.
4.3.
De Raad begrijpt dat het voor de GI helpend zou kunnen zijn als er een dubbele maatregel loopt, maar hij geeft aan dat een jaar geleden door de Raad is besloten om geen ondertoezichtstelling te verzoeken. Om die reden is het lastig voor de vertegenwoordiger namens de Raad om daar nu tijdens de zitting een standpunt over in te nemen.
4.4.
De vader staat achter het verzoek van de GI. Hij heeft veel zorgen over [minderjarige] en zijn situatie. Sinds april hebben [minderjarige] en de vader geen contact meer met elkaar.
5De nadere beoordeling
Spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
5.1.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet, dient onmiddellijke verlening van gesloten jeugdzorg noodzakelijk te zijn in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de jeugdige die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren of een ernstig vermoeden daarvan. Bovendien dient een uithuisplaatsing noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die de jeugdige nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.
5.2.
Bij beslissing van 24 april 2025 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 24 april 2025 en tot 8 mei 2025, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn nu in de gelegenheid gesteld hun standpunten naar voren te brengen. Naar aanleiding daarvan stelt de kinderrechter vast dat niet is gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel. Het aangehouden deel van het spoedverzoek zal de kinderrechter afwijzen nu zij een beslissing zal nemen op het eveneens thans ter beoordeling voorliggende reguliere verzoek gesloten plaatsing.
Regulier verzoek gesloten jeugdhulp
5.3.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
wijst af het resterende deel van het spoedverzoek om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp;
6.2.
verleent een machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 7 mei 2025 en tot 7 juli 2025.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2025 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 14 mei 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/434551 / JE RK 25-747
Datum uitspraak: 7 mei 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp in het kader van de jeugdreclassering
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING &
JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de Gl.
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. G. Demir te Breda.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het nadere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de tussenbeschikking van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 24 april 2025, met de daarin genoemde stukken;
de instemmingsverklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper dhr. [naam 1] van 24 april 2025, ontvangen op 2 mei 2025.
1.2.
Aan [minderjarige] is als advocaat toegevoegd, mr. G. Demir, te Breda.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 mei 2025. De kinderrechter heeft de zaken vanwege de samenhang gelijktijdig met zaaknummer C/02/434416 / JE RK 25-721 behandeld. Op zaaknummer C/02/434416 / JE RK 25-721 wordt per separate beschikking beslist. Daarbij waren aanwezig:
mr. Huseinovic, als waarnemend advocaat voor mr. Demir;
een vertegenwoordiger namens de GI;
een vertegenwoordiger namens het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen;
een vertegenwoordiger namens de Raad;
de vader, bijgestaan door een tolk in de Arabische taal dhr. [naam 2] .
1.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is [minderjarige] niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] juist is opgeroepen en dat hij, zo volgt uit de informatie van de GI, ook op de hoogte was van de datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling. De kinderrechter concludeert dan ook dat [minderjarige] niet bereid is zich te doen horen.
Feiten
2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 4 april 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 4 april 2024 en tot 18 april 2024. Het resterende deel
van het verzoek is aangehouden.
2.3.
Bij beschikking van 9 april 2024 is het resterende deel van het voorgaande verzoek
toegewezen en heeft de kinderrechter een spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en
te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van
twee weken, met ingang 18 april 2024 en tot 2 mei 2024.
2.4.
Bij beschikking van 30 april 2024 is de GI niet-ontvankelijk verklaard in haar
verzoek tot verlening van een machtiging om [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven.
2.5.
Bij beschikking van 1 mei 2024 is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen
opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang
van 1 mei 2024 en tot I september 2024.
2.6.
Bij beschikking van 23 augustus 2024 is een machtiging verleend om [minderjarige] te
doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met
ingang van 1 september 2024 en tot 1 december 2024.
2.7.
Bij beschikking van 24 april 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 24 april 2025 en tot 8 mei 2025. Het resterende deel
van het verzoek is aangehouden.
2.8.
[minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging bij [accommodatie] . Uit de informatie van de GI blijkt dat [minderjarige] zich ten tijde van de mondelinge behandeling heeft onttrokken en is weggelopen bij [accommodatie] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt op grond van artikel 6.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet (hierna: Jw) een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van vier weken. De GI verzoekt deze beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van de
belanghebbenden. Aansluitend verzoekt de GI op grond van artikel 6.1.2, eerste lid, Jw een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor bovengenoemde minderjarige te verlenen voor de
duur van twee maanden.
3.2.
Momenteel ligt ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping met ingang van heden van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het spoedverzoek om een machtiging voor gesloten jeugdhulp af te geven met ingang van 8 mei 2025 en tot 22 mei 2025. Hiernaast ligt nog voor het reguliere verzoek om een machtiging voor gesloten jeugdhulp af te geven voor de duur van twee maanden.
3.3.
Uit de instemmingsverklaring van 24 april 2025 volgt dat de onafhankelijke gedragswetenschapper, drs. [naam 1] , die [minderjarige] in persoon heeft gesproken, instemt met de verzoeken van de GI.
4De standpunten
4.1.
De (waarnemend) advocaat van [minderjarige] heeft naar voren gebracht dat zij niet uitdrukkelijk is gemachtigd. Na 30 april 2025 hebben zowel mr. Demir als de waarnemend advocaat [minderjarige] niet meer gesproken. Om die reden is het onduidelijk wat op dit moment het standpunt van [minderjarige] is en kan zij namens [minderjarige] niets naar voren brengen.
4.2.
De GI handhaaft het verzoek. Er zijn veel zorgen over [minderjarige] , zoals is omschreven in het verzoekschrift. De GI licht nog toe dat het spoedverzoek is ingediend naar aanleiding van de opheffing van de voorlopige hechtenis van [minderjarige] . Kort na de beslissing op het spoedverzoek is [minderjarige] op 30 april 2025 bij [accommodatie] weggelopen. [minderjarige] is op 3 mei 2025 teruggekomen en vervolgens op 4 mei 2025 opnieuw weggelopen. Dit nadat hij met een groepsgenoot een groepsleider heeft gedreigd om neer te steken, waarna [minderjarige] via het kantoorraam van [accommodatie] is weggegaan. Er zijn signalen dat [minderjarige] mogelijk drugs rondom [accommodatie] aan het dealen is. In het strafrechtelijke kader lopen er bijzondere voorwaarden, welke [minderjarige] momenteel overtreedt. De GI kan op dit moment echter geen terugmelding doen. Dit kan alleen als [accommodatie] de gesloten machtiging opschort. Verder vindt de GI het een goed idee als er – naast de jeugdreclasseringsmaatregel – een ondertoezichtstelling zou zijn. Er is civielrechtelijk veel aan de hand. Naast de relatie met de vader, is de plaatsing van [minderjarige] bij [woonzorggroep] in [plaats] vrijwillig. Als er een dubbele maatregel zou zijn, kunnen de zaken beter worden gescheiden en is er meer aandacht voor de problematiek van [minderjarige] . De GI spreekt de hoop uit dat [minderjarige] snel terecht komt.
4.3.
De Raad begrijpt dat het voor de GI helpend zou kunnen zijn als er een dubbele maatregel loopt, maar hij geeft aan dat een jaar geleden door de Raad is besloten om geen ondertoezichtstelling te verzoeken. Om die reden is het lastig voor de vertegenwoordiger namens de Raad om daar nu tijdens de zitting een standpunt over in te nemen.
4.4.
De vader staat achter het verzoek van de GI. Hij heeft veel zorgen over [minderjarige] en zijn situatie. Sinds april hebben [minderjarige] en de vader geen contact meer met elkaar.
5De nadere beoordeling
Spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
5.1.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet, dient onmiddellijke verlening van gesloten jeugdzorg noodzakelijk te zijn in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de jeugdige die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren of een ernstig vermoeden daarvan. Bovendien dient een uithuisplaatsing noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die de jeugdige nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.
5.2.
Bij beslissing van 24 april 2025 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 24 april 2025 en tot 8 mei 2025, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn nu in de gelegenheid gesteld hun standpunten naar voren te brengen. Naar aanleiding daarvan stelt de kinderrechter vast dat niet is gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel. Het aangehouden deel van het spoedverzoek zal de kinderrechter afwijzen nu zij een beslissing zal nemen op het eveneens thans ter beoordeling voorliggende reguliere verzoek gesloten plaatsing.
Regulier verzoek gesloten jeugdhulp
5.3.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
wijst af het resterende deel van het spoedverzoek om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp;
6.2.
verleent een machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 7 mei 2025 en tot 7 juli 2025.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2025 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 14 mei 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.