Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-29
ECLI:NL:RBZWB:2025:2640
Strafrecht
Raadkamer
1,292 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-282240-24
bevel gevangenhouding van de raadkamer van 29 april 2025
(artikel 65 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats],
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
nu gedetineerd in P.I. Middelburg.
Raadsvrouw mr. M. Luijten.
Procedure
De rechter-commissaris heeft op 17 april 2025 de bewaring bevolen.
De officier van justitie heeft de gevangenhouding van de verdachte gevorderd voor de duur van 90 dagen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, verdachte en de raadsvrouw gehoord.
De verdediging heeft de schorsing van de voorlopige hechtenis verzocht.
Beoordeling
Na onderzoek is gebleken dat de verdenking, de ernstige bezwaren en de gronden als bedoeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering, die tot het bevel tot bewaring van verdachte hebben geleid, ook op dit moment nog bestaan. Het dossier biedt voldoende basis voor het bestaan van ernstige bezwaren voor de feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, ook ten aanzien van de aspecten dwang en opzet. Verdachte is een persoon in de gereformeerde gemeenschap die zich presenteert als een celibataire homo, hij is een bekende organist en hoofdagent bij de politie. Dit verschaft hem binnen genoemde gemeenschap een zeker aanzien en bekendheid. Uit de verklaringen van de slachtoffers, getuigen en chatberichten is op te maken dat de slachtoffers in zekere zin tegen verdachte opkeken. De slachtoffers waren kwetsbaar, niet alleen door hun leeftijd maar ook door gevoelens over hun seksuele geaardheid tegen de achtergrond van het sterk gelovige milieu waarin zij opgroeiden. De verhouding tussen verdachte en de slachtoffers kan dan ook niet als gelijkwaardig worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan daarmee ook ernstige bezwaren voor dwang en opzet in de zin van een andere feitelijkheid.
Er is sprake van verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en de rechtsorde is door dat feit ernstig
geschokt. Hetgeen hiervoor in het kader van de ernstige bezwaren over de persoon van verdachte is overwogen draagt hieraan bij.
Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal
begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of
meer is gesteld.
Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan
waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht.
Gelet op de aard, duur en intensiteit van de ten laste gelegde feiten en het onderhouden van contact en het verrichten van seksuele handelingen met meerdere kwetsbare jongeren dient voor herhaling gevreesd te worden.
Verdachte heeft naar eigen zeggen behoefte aan hulp en/of behandeling. Van enige behandeling is tot op heden echter nog geen sprake. Daarin is ook de kans op herhaling gelegen.
Gelet op het voorgaande is de kans op herhaling voldoende concreet en acuut.
De rechtbank is van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a. derde lid, van het
Wetboek van Strafvordering op dit moment nog niet aan de orde is.
De rechtbank is van oordeel dat het strafvorderlijk belang zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van de verdachte bij invrijheidstelling en zal daarom het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Er is sprake van een twaalfjaarsfeit waardoor er sprake moet zijn van bijzonder zwaarwegende, de persoon van verdachte betreffende omstandigheden. Daarvan is de rechtbank niet gebleken. Voorts is geen reclasseringsadvies beschikbaar waardoor niet kan worden beoordeeld of en zo ja met welke voorwaarden de kans op herhaling tot een voor de maatschappij aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht. Er is een reclasseringsadvies aangevraagd maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding de duur van de gevangenhouding in tijd te beperken.
De rechtbank neemt de artikelen 65, 66, 67, 67a en 78 van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking.
Dictum
De rechtbank:
beveelt de gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van 90 (negentig) dagen;
wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af;
wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 29 april 2025 door:
mr. G.H. Nomes, voorzitter,
mr. C.E.M. Marsé en mr. H. Skalonjic, rechters,
in tegenwoordigheid van C.A. Lequin, griffier.