Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-15
ECLI:NL:RBZWB:2025:2548
Strafrecht
Raadkamer
1,437 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
Dictum
[klager],
geboren op [datum] 1979 te [plaats],
wonende op het [woonadres],
mr. S. van Minderhout, advocaat te Breda,
hierna te noemen: de klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op
12 februari 2025 onder klager een hond van het ras Stafford in beslag is genomen, hierna te noemen de hond;
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 24 februari 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 1 april 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax, klager en mr. A.C.M. Tönis waarnemend advocaat van klager gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat het beslag is gelegd op grond van artikel 425, tweede lid, Sv. Kijkend naar dat artikel gaat het om een overtreding. Dat is van belang, daar artikel 96 Sv stelt dat beslaglegging bij overtredingen alleen dan is toegestaan als het gaat om een heterdaadsituatie. In dit geval is er sprake van beslaglegging buiten heterdaad. Zodoende is het beslag niet rechtmatig gelegd en wordt verzocht tot teruggave van de hond te beslissen. Subsidiair wordt verzocht de hond terug te geven aan een houder, te weten de zus van klager. Zij heeft zich bereid verklaard de zorg van de hond op zich te nemen. Klager is in het kader van deze situatie nog niet gehoord en wil graag een tegenonderzoek instellen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de hond in beslag is genomen op last van de rechter-commissaris, hetgeen de omissie opheft. Voor het overige persisteert de officier van justitie bij het eerdere standpunt, namelijk dat het beslag dient te worden gehandhaafd.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift. Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de hond op rechtmatige wijze in beslag is genomen. Uit de voorhanden zijnde stukken, waaronder de risicoanalyse, maakt de rechtbank op dat het onverantwoord is dat de hond terugkeert in de maatschappij onder de hoede van klager. In de risicoanalyse wordt zelfs gesproken over een eventueel op te leggen houdverbod van honden. Door de raadsvrouw wordt subsidiair verzocht om de hond terug te geven aan een houder, waarbij de zus van klager zich bereid heeft verklaard de zorg van de hond op zich te nemen. Uit het in de risicoanalyse geformuleerde advies volgt dat alvorens herplaatsing aan de orde is, er eerst drie maanden intensieve training plaats dient te vinden. Verder blijkt niet of onvoldoende uit de brief of de zus van klager voldoet aan de eisen die in het advies worden genoemd. Het is dan ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat een rechter later oordelend tot verbeurdverklaring van de hond zal beslissen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 15 april 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 15 april 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Inleiding
raadkamernummer : 25-005080
datum : 1 april 2025