Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-25
ECLI:NL:RBZWB:2025:2482
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,448 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7234
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende]
, uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar, verbonden aan Het nieuwe WOZ-bureau),
en
de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar.
1Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld omdat de heffingsambtenaar geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan ten aanzien van het bezwaar van 5 april 2023 tegen de WOZ-beschikking en de aanslag OZB 2023 inzake het object [adres] .
1.2.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2.1.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Dit staat in artikel 6:12 van de Awb.
2.2.
Belanghebbende heeft op 5 april 2023 een bezwaarschrift ingediend. Belanghebbende heeft gelet op zijn verklaring van 10 juli 2023 meerdere bezwaren tegen hetzelfde aanslagbiljet ingediend en dus mogelijk al eerder bezwaar gemaakt, maar deze zullen alle in 2023 zijn ingediend. Dat betekent dat de beslistermijn is geëindigd op 31 december 2023.
2.3.
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar per e-mail (met bijlages) van 21 februari 2024 in gebreke gesteld. Belanghebbende heeft op 25 oktober 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Belanghebbende heeft ruim zeven maanden na de dag dat de mogelijkheid tot het instellen van beroep ontstond beroep ingesteld. De rechtbank heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld om aan te geven waarom niet eerder beroep is ingesteld. Van de plaatsing van dit bericht in het digitale dossier is een notificatie aan de gemachtigde van belanghebbende verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. De rechtbank neemt aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen. Belanghebbende heeft niet gereageerd.
2.4.
Niet is gebleken dat belanghebbende in de periode van zeven maanden tussen de ingebrekestelling en het indienen van beroep actie heeft ondernomen om een beslissing op bezwaar te verkrijgen. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
2.5.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep en de verzoeken om een dwangsom vast te stellen. Voorgaande neemt niet weg dat de heffingsambtenaar nog uitspraak op bezwaar moet doen.
Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding?
2.6.
Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om dat verzoek inhoudelijk te beoordelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het beroep van belanghebbende zich nu enkel richt tegen het niet tijdig beslissen van de heffingsambtenaar en de bezwaarfase nog niet is afgerond.
Conclusie
3.1.
Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De rechtbank wijst het verzoek om een vergoeding van immateriële schade af.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om een vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 25 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 236, tweede lid van de Gemeentewet.
Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb.
Vergelijk de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 12 juli 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2173.