Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-14
ECLI:NL:RBZWB:2025:221
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,244 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 20/5421 en 20/5422
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2025 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , Abu Dhabi, belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 februari 2020 inzake aanslagen leges.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde (tevens vader) van belanghebbende, en mr. A.K. Bisoen namens de heffingsambtenaar.
Feiten
2. Ter zitting zijn de volgende feiten vast komen te staan. De heffingsambtenaar heeft aan de eigenaresse van het object [adres] (het object) twee aanslagen leges opgelegd. Belanghebbende was ten tijde van de oplegging van de aanslagen leges bewoner van (een deel van) het object. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan inzake de aanslagen leges, en heeft deze geadresseerd aan belanghebbende. Belanghebbende is echter niet degene die bezwaar heeft gemaakt. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aan hem gerichte uitspraken op bezwaar.
Beoordeling
3. Nadat ter zitting duidelijk is geworden dat belanghebbende geen (materieel) belang heeft bij de beroepen, heeft de gemachtigde namens belanghebbende de beroepen ingetrokken, onder gelijktijdig verzoek tot vergoeding van griffierecht en immateriële schade voor de lange duur van de procedure. In deze uitspraak wordt op die verzoeken beslist.
Schadevergoeding
4. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Daarbij merkt de rechtbank de twee dossiernummers aan als samenhangende zaken en kent één vergoeding toe voor beide zaken tezamen. De berekening en de motivering daarvan luidt als volgt.
4.1.
De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar (6 maanden) duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar (18 maanden).
4.2.
De termijn vangt aan op het moment dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift heeft ontvangen. In dit geval is echter ter zitting vast komen staan dat belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt. Belanghebbende zag zich genoodzaakt (in één geschrift) een beroepschrift in te dienen tegen de aan hem gerichte uitspraken op bezwaar van 6 februari 2020. De rechtbank heeft tijdens de beroepsprocedure geconstateerd dat het papieren dossier van de samenhangende beroepen in het ongerede is geraakt. Mede hierdoor zijn de beroepen pas op 3 december 2024 op zitting behandeld en zijn de voornoemde feiten duidelijk geworden. Gelet op de omstandigheden van dit geval, acht de rechtbank aannemelijk dat bij belanghebbende sprake is van spanning en frustratie vanwege de lange duur van de procedure. De rechtbank ziet hierin aanleiding om tot vergoeding van immateriële schade over te gaan.
4.3.
Nu uitsluitend sprake is van een beroepsfase, is deze aangevangen met de dagtekening van de uitspraken op bezwaar op 6 februari 2020 en geëindigd met de intrekking van de samenhangende beroepen op 3 december 2024. Daarmee is de redelijke behandeltermijn van de beroepsfase overschreden met afgerond 40 maanden.
4.4.
Belanghebbende heeft voor de twee samenhangende beroepen - uitgaande van € 500 per overschrijding van een half jaar - recht op een schadevergoeding van € 3.500. Naar het oordeel van de rechtbank is van bijzondere omstandigheden, die aanleiding moeten geven om af te wijken van de hoofdregel, niet gebleken. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan de beroepsfase, komt het gehele bedrag voor rekening van de Staat der Nederlanden. De Nederlandse Staat (in de persoon van de minister van Justitie en Veiligheid) is daarom in zoverre aangemerkt als partij in dit geding.
Griffierecht
5. De omstandigheid dat het papieren dossier van de beroepen in het ongerede is geraakt, waardoor de beroepsprocedure veel langer heeft geduurd dan noodzakelijk, geeft de rechtbank tevens aanleiding te bepalen dat de Staat der Nederlanden het griffierecht aan belanghebbende vergoedt.
Dictum
De rechtbank:
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van immateriële schade van € 3.500;
gelast dat de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 48 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 14 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Zie Hoge Raad, 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.
Totale behandelduur van 58 maanden minus de redelijke termijn voor beroep van 18 maanden, resulteert in 40 maanden overschrijding.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 20/5421 en 20/5422
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2025 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , Abu Dhabi, belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 februari 2020 inzake aanslagen leges.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde (tevens vader) van belanghebbende, en mr. A.K. Bisoen namens de heffingsambtenaar.
Feiten
2. Ter zitting zijn de volgende feiten vast komen te staan. De heffingsambtenaar heeft aan de eigenaresse van het object [adres] (het object) twee aanslagen leges opgelegd. Belanghebbende was ten tijde van de oplegging van de aanslagen leges bewoner van (een deel van) het object. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan inzake de aanslagen leges, en heeft deze geadresseerd aan belanghebbende. Belanghebbende is echter niet degene die bezwaar heeft gemaakt. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aan hem gerichte uitspraken op bezwaar.
Beoordeling
3. Nadat ter zitting duidelijk is geworden dat belanghebbende geen (materieel) belang heeft bij de beroepen, heeft de gemachtigde namens belanghebbende de beroepen ingetrokken, onder gelijktijdig verzoek tot vergoeding van griffierecht en immateriële schade voor de lange duur van de procedure. In deze uitspraak wordt op die verzoeken beslist.
Schadevergoeding
4. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Daarbij merkt de rechtbank de twee dossiernummers aan als samenhangende zaken en kent één vergoeding toe voor beide zaken tezamen. De berekening en de motivering daarvan luidt als volgt.
4.1.
De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar (6 maanden) duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar (18 maanden).
4.2.
De termijn vangt aan op het moment dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift heeft ontvangen. In dit geval is echter ter zitting vast komen staan dat belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt. Belanghebbende zag zich genoodzaakt (in één geschrift) een beroepschrift in te dienen tegen de aan hem gerichte uitspraken op bezwaar van 6 februari 2020. De rechtbank heeft tijdens de beroepsprocedure geconstateerd dat het papieren dossier van de samenhangende beroepen in het ongerede is geraakt. Mede hierdoor zijn de beroepen pas op 3 december 2024 op zitting behandeld en zijn de voornoemde feiten duidelijk geworden. Gelet op de omstandigheden van dit geval, acht de rechtbank aannemelijk dat bij belanghebbende sprake is van spanning en frustratie vanwege de lange duur van de procedure. De rechtbank ziet hierin aanleiding om tot vergoeding van immateriële schade over te gaan.
4.3.
Nu uitsluitend sprake is van een beroepsfase, is deze aangevangen met de dagtekening van de uitspraken op bezwaar op 6 februari 2020 en geëindigd met de intrekking van de samenhangende beroepen op 3 december 2024. Daarmee is de redelijke behandeltermijn van de beroepsfase overschreden met afgerond 40 maanden.
4.4.
Belanghebbende heeft voor de twee samenhangende beroepen - uitgaande van € 500 per overschrijding van een half jaar - recht op een schadevergoeding van € 3.500. Naar het oordeel van de rechtbank is van bijzondere omstandigheden, die aanleiding moeten geven om af te wijken van de hoofdregel, niet gebleken. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan de beroepsfase, komt het gehele bedrag voor rekening van de Staat der Nederlanden. De Nederlandse Staat (in de persoon van de minister van Justitie en Veiligheid) is daarom in zoverre aangemerkt als partij in dit geding.
Griffierecht
5. De omstandigheid dat het papieren dossier van de beroepen in het ongerede is geraakt, waardoor de beroepsprocedure veel langer heeft geduurd dan noodzakelijk, geeft de rechtbank tevens aanleiding te bepalen dat de Staat der Nederlanden het griffierecht aan belanghebbende vergoedt.
Dictum
De rechtbank:
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van immateriële schade van € 3.500;
gelast dat de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 48 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 14 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Zie Hoge Raad, 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.
Totale behandelduur van 58 maanden minus de redelijke termijn voor beroep van 18 maanden, resulteert in 40 maanden overschrijding.