Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-28
ECLI:NL:RBZWB:2025:1941
Strafrecht
Raadkamer
1,092 tokens
Dictum
[de verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ([land]),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.S. Vriend, Lange Noordstraat 29, 4331 CB Middelburg,
hierna te noemen: de verzoeker.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 12 december 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 2.457,46, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de aantekening van het mondelinge vonnis van de kantonrechter van 12 september 2024 waarbij verzoeker is vrijgesproken;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 14 maart 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R. Jacobs en mr. L. Verheuvel als gemachtigd en waarnemend advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De advocaat van verzoeker heeft aangevoerd dat de kantonzaak samenhing met een andere strafzaak tegen verzoeker. Het betrof een redelijk ingewikkelde kantonzaak, waarvan het dossier onvolledig bleek te zijn. Het zelfstandig onderzoek verrichten naar en aanvullen van een aantal stukken bleek noodzakelijk. Voorts wordt opgemerkt dat verzoeker verstandelijk beperkt is, reden waarom de voorbespreking van de zaak meer tijd in beslag heeft genomen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten rechtsbijstand dienen te worden gematigd tot 4,48 uur, nu zowel het procesdossier als het verzoekschrift geen onderbouwing en aanknopingspunten bieden waarom een dusdanige tijdbesteding aan de zaak noodzakelijk was.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
De rechtbank is van oordeel dat de kosten van rechtsbijstand met de toelichting van de advocaat ter zitting billijk dienen te worden geoordeeld. De rechtbank zal het verzoek toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 3.137,46, bestaande uit:
- € 2.457,46 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 3.137,46 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Wouters & Wouters advocaten, onder vermelding van “[de verzoeker] 24-030838”.
Deze beslissing is op 28 maart 2025 genomen door mr. L.W. Louwerse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis en I.B. Bruijnooge, griffiers, en is uitgesproken op de openbare zitting van 28 maart 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.