Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-02
ECLI:NL:RBZWB:2025:1840
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,669 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/4769 BRP
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. K.L. Sett),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeeld de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van 24 april 2024 inzake de afwijzing van de aanvraag voor wijziging van haar persoonsgegevens in de Basisregistratie Personen (Brp).
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met haar echtgenoot, de gemachtigde van eiser en namens het college mr. D. Claessen.
Beoordeling
2. Eiseres heeft op 4 december 2020 een aanvraag ingediend voor wijziging van haar persoonsgegevens in de Brp. Zij heeft verzocht om wijziging van haar voornaam van [voornaam 1] naar [voornaam 2], haar geboortedatum van [geboortedag ] 1981 naar [geboortedag ] 1967 en haar geboorteplaats van [geboorteplaats 1] naar [geboorteplaats 2].
3. Met het besluit van 31 januari 2023 heeft het college afwijzend beslist op de aanvraag. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.1.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
Juridisch kader
4. Er is een basisregistratie personen. De basisregistratie bevat persoonsgegevens over de ingezetenen van Nederland. De basisregistratie bevat persoonsgegevens over niet-ingezetenen voor zover deze wet daarin voorziet.
In de basisregistratie worden over de ingeschrevene uitsluitend de volgende gegevens opgenomen: […] gegevens over de burgerlijke staat waar het betreft de naam, de geboorte, het geslacht, de ouders, het huwelijk, dan wel geregistreerd partnerschap en eerdere huwelijken of eerder geregistreerde partnerschappen, de echtgenoot dan wel geregistreerd partner en eerdere echtgenoten of geregistreerde partners, de kinderen en het overlijden.
De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:
a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;
b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;
c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;
e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.
4.1.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft op 17 januari 2024 overwogen dat voorop moet worden gesteld dat de gegevens in de Brp duidelijk en betrouwbaar moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens over de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, heeft de wetgever in artikel 2.8 van de Wet Brp een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een "lager" document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het tijdstip van inschrijving in redelijkheid geen "hoger" document kan worden overgelegd. Dit doet niet af aan de plicht van de burger om eventueel ook na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijke documenten te leveren. Het bewijs dat eenmaal in de Brp opgenomen gegevens onjuist zijn, kan alleen worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Beoordeeld moet worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn.
4.2.
De in artikel 2.8, tweede lid, onder a tot en met e, van de Wet Brp omschreven documenten zijn brondocumenten op grond waarvan bepaalde gegevens over de burgerlijke staat mogen worden opgenomen in de Brp. Om als zo’n brondocument te kunnen worden aangemerkt, moet het betreffende document voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in dat tweede lid. Dat een document een brondocument is, betekent niet dat de daarin vermelde feiten zonder meer moeten worden verwerkt in de Brp. Bij het beoordelen of deze feiten moeten worden verwerkt, moet ook rekening worden gehouden met de relevante bepalingen uit Hoofdstuk 2, Afdeling 1, paragraaf 3 van de Wet Brp. Zo is van belang dat uit artikel 2.10, tweede lid, van de Wet Brp volgt dat aan de hier bedoelde brondocumenten geen gegevens mogen worden ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de daarin vermelde feiten. Het gaat hierbij om de openbare orde in materiële en in processuele zin. Van strijd met de openbare orde in processuele zin kan sprake zijn als voorafgaand aan de afgifte van het brondocument kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit geldt ook als het door de aanvrager overgelegde geschrift een paspoort is.
4.3.
Dit betekent dat in zaken over een verzoek om wijziging van persoonsgegevens in de Brp eerst de vraag beantwoord moet worden of de verzoeker brondocumenten heeft weten over te leggen die voldoen aan de eisen uit artikel 2.8, tweede lid, van de Wet Brp. Pas wanneer die vraag bevestigend beantwoord kan worden, wordt toegekomen aan de vraag of het verband tussen de verzoeker en de persoon op de documenten kan worden gelegd. Bij positieve beantwoording van deze vragen zal vervolgens worden beoordeeld of aan de toetsingsmaatstaf zoals hiervoor omschreven is voldaan. Is dat het geval, dan wordt het betreffende gegeven, of worden de betreffende gegevens, in de Brp gewijzigd.
5. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag verschillende documenten overgelegd, waaronder een Chinees paspoort uit 2020, verschillende notariële certificaten, een kopie van een Chinese identiteitskaart, een verwantschapsonderzoek en een gezichtsvergelijkingsonderzoek. Het college heeft de aanvraag afgewezen. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eiseres, op een paspoort uit 2020 en een identiteitskaart na, geen brondocumenten heeft aangeleverd. Het paspoort uit 2020 is afgegeven op grond van het paspoort uit 2007. Niet aannemelijk is dat voorafgaand aan de afgifte van het paspoort uit 2020 behoorlijk onderzoek is verricht naar de juistheid van de op het paspoort uit 2007 vermelde persoonsgegevens, aldus het college.
Wat betreft de identiteitskaart heeft het college geconcludeerd dat niet buiten redelijke twijfel is dat de daarop vermelde gegevens juist zijn.
6. Eiseres heeft betoogd dat de Chinese autoriteiten haar identiteit hebben kunnen vaststellen en haar vervolgens het in 2020 afgegeven paspoort hebben verstrekt. Dat zij van het in 2007 afgegeven paspoort enkel een kopie aan het college heeft overgelegd, is onvoldoende om niet van de juistheid van de daarin vermelde gegevens uit te gaan. Bij de aanvraag van het in 2007 afgegeven paspoort is het oude paspoort uit 1996 overgelegd. Voor de aanvraag en het ophalen van het in 2020 afgegeven paspoort moest eiseres zich persoonlijk melden. Daarnaast heeft eiseres een Chinese identiteitskaart overgelegd in origineel, waarvan de authenticiteit vast staat.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het paspoort uit 2020 is afgegeven op grond van het paspoort uit 2007. Ten aanzien van Chinese paspoorten die zijn afgegeven voor 2012 kan niet als uitgangspunt worden genomen dat het aan de afgifte voorafgaande onderzoek behoorlijk en volgens de plaatselijke voorschriften is geweest. Eiseres heeft enkel een kopie van het paspoort uit 2007 overgelegd.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 2 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Artikel 1.2 van de Wet Brp.
Artikel 2.7, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wet Brp.
Artikel 2.8, tweede lid, van de Wet Brp.
ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:127.
Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 126.
ABRvS 4 [voornaam 1] 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198.
ABRvS 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4763.
‘Legaliseren van documenten uit China voor gebruik in Nederland’, nederlandwereldwijd.nl/legaliseren/buitenlandse-documenten/china.