Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-28
ECLI:NL:RBZWB:2025:1780
Strafrecht
Op tegenspraak
1,516 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-996005-14
vonnis van de meervoudige kamer van 28 maart 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte] B.V.
gevestigd te [adres]
raadsman mr. J.H. Peek, advocaat te Utrecht
1Onderzoek van de zaak
De zaak is behandeld op de zitting van 14 maart 2025, waarbij de officier van justitie, mr. S. Leeman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op het volgende neer:
1. en 2. het medeplegen van het valselijk opmaken van (een deel van) de bedrijfsadministratie door daarin een aantal valse stukken op te nemen;
3. het medeplegen van het voorhanden hebben van accijnsgoederen (alcoholhoudende drank), terwijl die drank niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken
4. het witwassen van € 111.650,=.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
3.1
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
3.1.1
Het standpunt van de officier van justitie
Op 21 juni 2022 heeft [medeverdachte] (hierna telkens [medeverdachte] ) mede namens de verdachte [verdachte] B.V. (hiena telkens verdachte), in de strafzaak “Generaal” een transactieaanbod ex artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht geaccepteerd. Dit transactieaanbod hield in dat de verdachte en [medeverdachte] ten behoeve van de Staat afstand doen van een geldbedrag van €113.950,= en dat [medeverdachte] een taakstraf zal verrichten van 60 uren. De officier van justitie heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting aangegeven dat de taakstraf is uitgevoerd en dat afstand is gedaan van het inbeslaggenomen geld ter hoogte van € 113.950,=. De officier van justitie is van mening dat de zaak tegen verdachte daarmee is afgedaan en dat er niet langer een belang is bij de vervolging van verdachte. De officier heeft op grond daarvan verzocht om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.
3.1.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat het gaat om een extreem oude zaak en dat verdachte en [medeverdachte] aan de in het transactieaanbod gestelde verplichtingen hebben voldaan. De verdediging kan zich dan ook verenigen met de door het Openbaar Ministerie voorgestelde wijze van afdoening.
3.1.3
Beoordeling
De strafzaak
Op 2 april 2021 zijn tegen de verdachte en [medeverdachte] , als feitelijk leidinggever van verdachte, dagvaardingen uitgebracht in het onderzoek “Generaal” betreffende de hiervoor onder 2 genoemde feiten. Na het uitbrengen van die dagvaardingen heeft op 9 september 2021 een regiezitting plaatsgevonden en heeft de rechtbank op 23 september 2021 beslist op de onderzoekswensen van de verdediging. Op 9 december 2021 heeft de rechter-commissaris met het horen van de [getuige] uitvoering gegeven aan het toegewezen onderzoek.
De afspraken
Na 9 december 2021 heeft er overleg plaatsgevonden tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging over een mogelijke buitengerechtelijke afdoening. Dit overleg heeft geleid tot het transactieaanbod ex artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht en dit transactieaanbod werd op 21 juni 2022 door [medeverdachte] als directeur van verdachte en op 30 juni 2022 door de officier van justitie ondertekend.
Het transactieaanbod hield in dat de verdachte en [medeverdachte] ten behoeve van de Staat afstand doen een geldbedrag van €113.950,= en dat [medeverdachte] een taakstraf zal verrichten van 60 uren. Tevens hield het aanbod in dat verdachte en [medeverdachte] niet (verder) vervolgd zullen worden noch dat tegen hen een vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.
Beoordeling
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat, nadat de strafzaak tegen verdachte aanhangig is gemaakt, aan verdachte een transactie is aangeboden en verdachte heeft voldaan aan de in het transactieaanbod opgenomen voorwaarden. Deze wijze van afdoening, genomen terwijl de zaak onder de rechter is, kent de wet niet. Middels de huidige praktijk van het maken van procesafspraken hadden vergelijkbare afspraken mogelijk wel gemaakt kunnen worden. Onderhavige afspraken tussen de officier van justitie en de verdediging werden echter al gemaakt voordat de mogelijkheid van het maken van procesafspraken door de Hoge Raad was getoetst.
De rechtbank stelt vast dat verdachte belang heeft bij de gemaakte afspraken en dat ook de samenleving gebaat is bij een gepaste afdoening die de rechtspraak niet meer dan nodig belast. Nu door verdachte vrijwillig uitvoering is gegeven aan de in het transactieaanbod gestelde voorwaarden en het Openbaar Ministerie zelf om haar niet-ontvankelijkheid verzoekt, komt de rechtbank – alles afwegend - tot de slotsom dat het strafvorderlijk belang bij voortzetting van de vervolging van verdachte niet langer aanwezig is en dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de tenlastegelegde feiten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van de Wetering, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en
mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van F.J.M. Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 maart 2025.