Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-24
ECLI:NL:RBZWB:2025:1682
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,203 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/12540
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. De inspecteur heeft met dagtekening 21 juli 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2018 met aanslagnummer [BSN].H.86.01 (de aanslag) opgelegd, alsmede bij gelijktijdige beschikking een verzuimboete opgelegd (de boetebeschikking). De aanslag is op 10 maart 2022 verminderd, de boetebeschikking is toen in stand gebleven. Belanghebbende heeft tegen de boete bezwaar gemaakt.
1.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 22 december 2023, ontvangen door de rechtbank op 28 december 2023, beroep ingesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Op 27 februari 2024 heeft de inspecteur een uitspraak op bezwaar genomen. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze niet tijdig is ingediend. De inspecteur heeft de verzuimboete ambtshalve verminderd tot nihil.
1.2.
Belanghebbende heeft, zo begrijpt de rechtbank, ook de verrekening van bedragen genoemd in de mededeling van 11 maart 2022 willen bestrijden. De rechtbank heeft aan dit beroep onterecht geen zaaknummer toegekend. De rechtbank heeft daarom alsnog een extra zaaknummer (BRE 25/1490) aangemaakt. De rechtbank doet afzonderlijk uitspraak met betrekking tot het beroep met zaaknummer BRE 25/1490.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
Beroep niet tijdig beslissen
2. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur na het instellen van het beroep alsnog een besluit heeft genomen. Nu alsnog uitspraak op bezwaar is gedaan, ontvalt het belang aan het door belanghebbende ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
2.1.
Omdat het besluit genomen is na het instellen van het beroep moet de inspecteur wel het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
Uitspraak op bezwaar
3. Op grond van de wet ziet het beroep als uitgangpunt ook op de alsnog genomen uitspraak op bezwaar. Belanghebbende is bij aangetekend verzonden brief van 19 november 2024 gevraagd of hij het al dan niet eens is met de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft de brief volgens de track-and-trace gegevens van PostNL ontvangen, maar hier niet op gereageerd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het beroep ook ziet op de uitspraak op bezwaar.
3.1.
Belanghebbende is het in zijn beroepschrift alleen niet eens met de opgelegde verzuimboete. De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar de verzuimboete met betrekking tot het niet tijdig betalen van de inkomstenbelasting ambtshalve verminderd naar nihil. Nu de inspecteur de verzuimboete heeft verminderd naar nihil en daarmee feitelijk aan de gronden van belanghebbende is tegemoet gekomen, heeft belanghebbende geen processueel belang meer bij het ingestelde beroep. De rechtbank zal daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep voor zover het ziet op de uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 24 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.