Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-14
ECLI:NL:RBZWB:2025:167
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
883 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8321
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [plaats], verzoekers,
(gemachtigde: mr. B.M.C.F. de Groen),
en
De burgemeester van de gemeente Halderberge, (de burgemeester).
Inleiding
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van 11 november 2024 (bestreden besluit), over het sluiten van een bedrijfspand aan Argon 16b-6 in Oud-Gastel voor de duur van twaalf maanden. Zij hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval – de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid).
2. Verzoekers stellen dat zij een spoedeisend belang hebben bij het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat verzoekers als gevolg van de sluiting van het bedrijfspand huurinkomsten mislopen. Het onbruikbaar laten zijn van het pand is voor verzoekers een financiële klap, omdat zij het pand hebben aangekocht als extra (pensioen)buffer per maand.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers met deze onderbouwing niet aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben bij het verzoek om een voorlopige voorziening. Volgens vaste rechtspraak is een financieel belang op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dit ligt anders wanneer aannemelijk is gemaakt dat een financiële noodsituatie dreigt. Bij brief van 17 december 2024 heeft de rechtbank verzoekers gewezen op die rechtspraak en heeft de rechtbank verzoekers in de gelegenheid gesteld om het spoedeisend belang nader te onderbouwen. Verzoekers hebben in reactie daarop gesteld dat zij niet zonder deze bron van inkomsten kunnen maar hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat als gevolg van het bestreden besluit een financiële noodsituatie dreigt.
4. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 14 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ABRvS 27 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:798.