Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-19
ECLI:NL:RBZWB:2025:1655
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,134 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11200509 \ CV EXPL 24-2268
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. B.W.P.R. van den Bemt,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 september 2024 met de daarin genoemde stukken,
- het bericht van 7 februari 2025 van [gedaagde] ,- het bericht van 7 januari 2025 met producties van [eiseres] ,- de mondelinge behandeling van 18 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en de voorgedragen spreekaantekeningen van mr. Van den Bemt. Namens [gedaagde] is niemand verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[gedaagde] huurde per 1 juli 2015 de bedrijfsruimte aan [adres] voor de duur van vijf jaar, waarna de huurovereenkomst met vijf jaar is verlengd tot 30 juni 2025. De huurovereenkomst is aangegaan met de vorige eigenaar van het pand. Met toestemming van de verhuurder werd het pand opgesplitst in zelfstandige ruimtes, welke ruimtes werden onderverhuurd.
2.2.
[eiseres] is per 1 maart 2022 eigenaar van het pand. De huurprijs bedroeg laatstelijk € 7.086,22 per maand.
2.3.
Ondanks aanmaning is [gedaagde] niet tot betaling van de aan haar gezonden huurfacturen overgegaan.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert – samengevat en na beperking van haar vordering – betaling van € 35.000,00 aan huurachterstand en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2024, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Na de aankoop van het pand heeft [eiseres] [gedaagde] gevraagd of zij en de onderhuurder van hal [nummer] uiterlijk 31 december 2022 het gehuurde wilden verlaten. [eiseres] zou bij een eerder vertrek van de onderhuurder de door [gedaagde] gederfde onderhuur voor eigen rekening nemen. De onderhuurder heeft hal [nummer] medio augustus 2022 verlaten. [gedaagde] heeft het gehuurde pas in november 2023 verlaten. Het aanbod is daarom komen te vervallen en [gedaagde] is huur verschuldigd tot en met november 2023.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en voert het volgende aan. Door toedoen van [eiseres] zijn onderhuurders vertrokken. Hierdoor liep [gedaagde] huurpenningen mis en is [gedaagde] in financiële problemen gekomen. De oorzaak van de huurachterstand ligt daarom bij [eiseres] . [gedaagde] heeft het gehuurde noodgedwongen verlaten en hiervoor onnodig kosten moeten maken. [gedaagde] vindt het onterecht dat zij nog iets moet betalen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 18 februari 2025. [gedaagde] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Op grond van artikel 88 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de kantonrechter uit het niet-verschijnen ter terechtzitting de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Dat [gedaagde] voorafgaand aan de zitting nog een schriftelijke reactie heeft ingediend, doet daar niets aan af. In dit geval verbindt de kantonrechter aan dit niet-verschijnen van [gedaagde] op de zitting de gevolgtrekking dat de nadere stellingen van [eiseres] als onweersproken worden geacht.
4.2.
[gedaagde] is in beginsel gehouden om de huurpenningen te betalen, nu deze betalingsverplichting voortvloeit uit de huurovereenkomst. Uit de overgelegde correspondentie en berekeningen leidt de kantonrechter af dat de totaal verschuldigde huur over de periode maart 2022 tot en met november 2023 € 146.304,24 bedroeg en dat [gedaagde] voor deze periode € 86.955,00 aan huur heeft betaald. Per saldo resteert een huurachterstand van € 59.349,24.
4.3.
Dat [eiseres] oneigenlijke druk op [gedaagde] en/of de onderhuurders zou hebben uitgeoefend om eerder het gehuurde te verlaten, is niet vast komen te staan. De financiële gevolgen van het vertrek van onderhuurders komt dan ook voor rekening en risico van [gedaagde] .
4.4.
Ter zitting heeft [eiseres] verduidelijkt dat partijen zijn overeengekomen dat [eiseres] de huurpenningen van de onderhuurder voor hal [nummer] voor eigen rekening zou nemen, maar dat dit aanbod is komen te vervallen doordat [gedaagde] zijn eigen huurpenningen niet tijdig betaalde en zelf niet tijdig is vertrokken. Doordat [gedaagde] niet ter zitting is verschenen, gaat de kantonrechter van de juistheid van deze stelling uit. Dat houdt in dat de kantonrechter het verweer van [gedaagde] , dat de huurpenningen van de onderhuurder in mindering strekken op de huurachterstand, zal passeren.
4.5.
Ter zitting heeft [eiseres] haar vordering beperkt tot € 35.000,00, onder afstand van het meerdere. Nu de huurachterstand dit bedrag overschrijdt, ligt het gevorderde bedrag voor toewijzing gereed. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom tot betaling van dit bedrag veroordelen.
4.6.
[gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke handelsrente. Aangezien aan de vereisten van artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan, wordt deze rente toegewezen.
4.7.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Omdat de gevorderde hoofdsom reeds toewijsbaar is, komt de kantonrechter aan een inhoudelijke beoordeling van de verschuldigdheid van die vergoeding niet toe.
4.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,84
- griffierecht
€
1.409,00
- salaris gemachtigde
€
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.745,84
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 35.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van 1 juli 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.745,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.