Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:1629
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
7,360 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/431326 / JE RK 25-182
Datum uitspraak: 5 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT TILBURG, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. F.A. Dronkers te Roermond,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 januari 2025;
de op 6 februari 2025 en 11 februari 2025 van de advocaat van de vader ontvangen brieven.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder en haar advocaat;
mevrouw mr. E.C.A.E. Verschuren, waarnemend advocaat, namens de vader;
een vertegenwoordigster van de GI.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij de vader.
2.3.
Bij de door de kinderrechter in deze rechtbank mondeling op 7 maart 2024 gegeven beslissing, schriftelijk vastgesteld op 25 maart 2024, is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, met ingang van 7 maart 2024 tot 7 maart 2025.
3Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de verzoeker
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk - samengevat - aangevoerd dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige]. Hij is klem geraakt tussen zijn ouders en hij kampt met een loyaliteitsconflict. Het is belangrijk dat [minderjarige] in contact blijft met de moeder en daarbij niet wordt belast door de moeder met negatieve uitspraken over de vader. [minderjarige] heeft behoefte aan rust en duidelijkheid. In de komende periode moet daarom worden toegewerkt naar parallel solo ouderschap. Hij moet zich bovendien geen zorgen hoeven maken over of zich verantwoordelijk voelen voor zijn moeder en zijn halfzusje.
4.2.
Er is veel wrijving tussen de ouders, waardoor het hen nog niet lukt om samen het ouderschap in het belang van [minderjarige] vorm te geven. Daarnaast heeft [minderjarige] aangegeven dat hij het prettig vindt om regelmatig een gesprek te hebben met [naam] van de GI en om haar te kunnen appen als de situatie bij de moeder thuis uit de hand loopt. Naast dat daarvoor de ondertoezichtstelling noodzakelijk is dient aan de volgende doelen te worden gewerkt:
- hulpverlening inzetten op parallel (solo) ouderschap;
- [minderjarige] voelt zich thuis op zijn gemak en ervaart rust, voorspelbaarheid en
veiligheid (hij heeft geen last van spanningen, ruzies en maakt geen huiselijk
geweld bij moeder mee);
- [minderjarige] kan bezig zijn met zijn eigen dingen en hij voelt zich niet bezorgd of verantwoordelijk voor zijn moeder en halfzusje;
- [minderjarige] heeft een onbelaste contactregeling met zijn moeder.
4.3.
In april 2024 heeft er een voorval plaats gevonden tussen de moeder en [minderjarige], waardoor de GI zich genoodzaakt zag het contact onmiddellijk stop te zetten. Er is vervolgens met alle betrokkenen een veiligheidsplan gemaakt, bedoeld om vergelijkbare incidenten in de toekomst te voorkomen. Dit is vervolgens goed verlopen tot 26 december 2024. Echter heeft zich opnieuw een incident tussen de moeder en [minderjarige] voorgedaan, waarbij [minderjarige] zich genoodzaakt voelde daar een video opname van te maken. Daarop-volgend heeft de moeder [minderjarige] verzocht om te vertrekken. Hoewel dit in de visie van de GI niet de bedoeling kan zijn is het vermoeden aanwezig dat de moeder met name in ruzie/stress situaties onmacht ervaart en zij dan niet weet hoe te handelen en zij terug valt in negatieve uitingen over de vader, waarbij zaken uit het verleden door haar opnieuw worden benoemd. Ook uit zij nog steeds zorgen over de situatie bij de vader thuis, terwijl uit het vrijwillig en verplichte hulpverleningstraject gebleken is dat er op dat vlak geen zorgen zijn.
4.4.
De GI heeft bij de moeder een zekere dynamiek ervaren. Zij laat in gesprekken blijken vast te zitten in het verleden en te kampen met emotionele instabiliteit. Ook lijkt de moeder gesprekken heel anders te ervaren dan wat er daadwerkelijk is gezegd. De GI acht het daarom van belang dat de juiste hulpverlening wordt ingezet om de moeder te onder-steunen. Ook is de moeder geadviseerd om hulp te zoeken voor zichzelf. Ondanks dit
- klemmende - verzoek van de GI aan de moeder geeft zij aan dat zij al een tijd lang naar een psycholoog gaat en dat daaruit blijkt dat er met haar niets aan de hand is, wel kampt zij met schildklierproblemen. Intussen blijft de jeugdbescherming vastlopen bij de moeder. De GI zou daarom ook graag zien dat de moeder zich voor haar adviezen alsnog open stelt en meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek, dit opdat er meer duidelijkheid zal komen over haar sociaal-emotioneel functioneren om de juiste hulp te kunnen laten starten.
4.5.
Voor de in te zetten hulpverlening gericht op parallel (solo) ouderschap heeft de GI een aanmelding gedaan bij [jeugdzorg], bedoeld voor opvoedondersteuning aan de moeder bij het leren om gaan met een puberzoon. Echter heeft [jeugdzorg] de aanmelding afgewezen, waarvoor als reden is opgegeven dat eerdere adviezen door de moeder niet zijn opgevolgd. Vervolgens is, na gebleken enorme wachttijden bij Sterk Huis, een aanmelding bij
de Gezinsmanager gedaan. De moeder is echter, ondanks een aan haar gegeven schriftelijke aanwijzing, op het intake gesprek niet verschenen. Zij laat onverminderd blijken niet aan hulpverlening te willen meewerken.
4.6.
Met [minderjarige] is gesproken over hulpverlening specifiek voor hemzelf. [minderjarige] heeft daar - uiteindelijk - mee ingestemd. Besloten is om laagdrempelig met deze hulpverlening, die door [organisatie] zal worden geboden, te starten. [minderjarige] heeft zich positief uitgelaten over de intake die heeft plaats gevonden.
4.7.
De GI acht het voor de komende tijd van belang dat met name wordt gefocust op wat [minderjarige] voor zichzelf en in het contact met zijn moeder (nog) aan hulpverlening nodig heeft, dat ook de zomervakantieperiode daarin wordt meegenomen en dat het verloop en de resultaten daarvan gevolgd kunnen blijven worden. Rekening houdend met de periode die naar verwachting daarvoor nodig is en omdat de hulpverlening voor [minderjarige] vanuit [organisatie] nog moet gaan starten zou de GI ook kunnen instemmen met een verlenging van de onder-toezichtstelling voor een periode van drie maanden, waarbij de beslissing op het restantverzoek wordt aangehouden.
5Het standpunt van [minderjarige]
heeft tijdens het kindgesprek samengevat opgemerkt dat het goed gaat met hem bij zijn vader. Ook verloopt het contact tussen hem en zijn moeder positief en kunnen zij beter afspraken maken. Zij praat ook niet meer zo vaak over zijn vader. Wanneer zij dat wel doet maakt dit hem wel boos, maar weet hij daar neutraal op te reageren. Hij is nu twee weekenden in de maand bij zijn moeder, zoals afgesproken. Wel blijft het verloop wisselend, met kerstmis ging het nog mis, daardoor was het ook spannend. De onder-toezichtstelling ervaart hij nog steeds als helpend om dit soort situaties bespreekbaar te maken. Hij wil daarom dat de ondertoezichtstelling blijft doorlopen, ook omdat de hulp vanuit [organisatie] nog niet is gestart. Ten slotte wenst hij aan te geven dat hij tijdens de korte schoolvakanties bij zijn vader wil zijn en dat hij in de zomervakantieperiode langer bij zijn vader dan bij zijn moeder zou willen zijn.
6De standpunten van de belanghebbenden
6.1.
Door en namens de moeder is - samengevat - naar voren gebracht dat de moeder het beste wil voor [minderjarige], zij ziet dat hij gezien zijn leeftijds- en ontwikkelfase op meerdere vlakken behoefte heeft aan begrenzing. In de visie van de moeder rust op haar en ook op de vader als ouders de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat [minderjarige] die ook geboden krijgt. Verder maakt zij zich nog steeds veel zorgen over de gezondheid van [minderjarige], met name waar het zijn alcoholgebruik betreft en zijn schoolopleiding, die daaronder te lijden heeft. De vader laat in zijn opstelling zien dat hij deze zorgen niet als zodanig (h)erkent.
Beoordeling
7.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
7.2.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is naar het oordeel van
de kinderrechter overduidelijk gebleken dat er nog altijd sprake is van een situatie waarin er ernstige zorgen zijn dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] verkeert nog steeds in een situatie, waarin hij tussen zijn ouders ernstig klem is geraakt. [minderjarige] zal daarvoor hulpverlening gaan krijgen via [organisatie], die echter nog niet is gestart. Daarnaast zullen door de GI concreet de mogelijkheden om te komen tot solo parallel ouderschap, bij voor-keur via een traject bij de Gezinsmanager, onderzocht gaan worden. Een periode van zes maanden als verzocht is, naar op dit moment valt in te schatten, daarvoor minimaal noodzakelijk. Naar het oordeel van de kinderrechter dient de hulpverlening in een verplicht kader te worden voortgezet, nu alleen op die wijze verder kan worden gewerkt aan het veranderen/ombuigen van het spanningsvolle systeem waarin [minderjarige] en de ouders zich nog steeds bevinden, ook opdat de contactregeling in een voor [minderjarige] meer onbelaste sfeer zal kunnen plaats vinden en hij een belangrijkere stem zal krijgen waar het de frequentie en invulling van die regeling betreft.
7.4.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden.
7.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als hoger beroep zou worden ingesteld.
Dictum
De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 7 maart 2025 tot 7 september 2025;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/431326 / JE RK 25-182
Datum uitspraak: 5 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT TILBURG, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. F.A. Dronkers te Roermond,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 januari 2025;
de op 6 februari 2025 en 11 februari 2025 van de advocaat van de vader ontvangen brieven.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder en haar advocaat;
mevrouw mr. E.C.A.E. Verschuren, waarnemend advocaat, namens de vader;
een vertegenwoordigster van de GI.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij de vader.
2.3.
Bij de door de kinderrechter in deze rechtbank mondeling op 7 maart 2024 gegeven beslissing, schriftelijk vastgesteld op 25 maart 2024, is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, met ingang van 7 maart 2024 tot 7 maart 2025.
3Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de verzoeker
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk - samengevat - aangevoerd dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige]. Hij is klem geraakt tussen zijn ouders en hij kampt met een loyaliteitsconflict. Het is belangrijk dat [minderjarige] in contact blijft met de moeder en daarbij niet wordt belast door de moeder met negatieve uitspraken over de vader. [minderjarige] heeft behoefte aan rust en duidelijkheid. In de komende periode moet daarom worden toegewerkt naar parallel solo ouderschap. Hij moet zich bovendien geen zorgen hoeven maken over of zich verantwoordelijk voelen voor zijn moeder en zijn halfzusje.
4.2.
Er is veel wrijving tussen de ouders, waardoor het hen nog niet lukt om samen het ouderschap in het belang van [minderjarige] vorm te geven. Daarnaast heeft [minderjarige] aangegeven dat hij het prettig vindt om regelmatig een gesprek te hebben met [naam] van de GI en om haar te kunnen appen als de situatie bij de moeder thuis uit de hand loopt. Naast dat daarvoor de ondertoezichtstelling noodzakelijk is dient aan de volgende doelen te worden gewerkt:
- hulpverlening inzetten op parallel (solo) ouderschap;
- [minderjarige] voelt zich thuis op zijn gemak en ervaart rust, voorspelbaarheid en
veiligheid (hij heeft geen last van spanningen, ruzies en maakt geen huiselijk
geweld bij moeder mee);
- [minderjarige] kan bezig zijn met zijn eigen dingen en hij voelt zich niet bezorgd of verantwoordelijk voor zijn moeder en halfzusje;
- [minderjarige] heeft een onbelaste contactregeling met zijn moeder.
4.3.
In april 2024 heeft er een voorval plaats gevonden tussen de moeder en [minderjarige], waardoor de GI zich genoodzaakt zag het contact onmiddellijk stop te zetten. Er is vervolgens met alle betrokkenen een veiligheidsplan gemaakt, bedoeld om vergelijkbare incidenten in de toekomst te voorkomen. Dit is vervolgens goed verlopen tot 26 december 2024. Echter heeft zich opnieuw een incident tussen de moeder en [minderjarige] voorgedaan, waarbij [minderjarige] zich genoodzaakt voelde daar een video opname van te maken. Daarop-volgend heeft de moeder [minderjarige] verzocht om te vertrekken. Hoewel dit in de visie van de GI niet de bedoeling kan zijn is het vermoeden aanwezig dat de moeder met name in ruzie/stress situaties onmacht ervaart en zij dan niet weet hoe te handelen en zij terug valt in negatieve uitingen over de vader, waarbij zaken uit het verleden door haar opnieuw worden benoemd. Ook uit zij nog steeds zorgen over de situatie bij de vader thuis, terwijl uit het vrijwillig en verplichte hulpverleningstraject gebleken is dat er op dat vlak geen zorgen zijn.
4.4.
De GI heeft bij de moeder een zekere dynamiek ervaren. Zij laat in gesprekken blijken vast te zitten in het verleden en te kampen met emotionele instabiliteit. Ook lijkt de moeder gesprekken heel anders te ervaren dan wat er daadwerkelijk is gezegd. De GI acht het daarom van belang dat de juiste hulpverlening wordt ingezet om de moeder te onder-steunen. Ook is de moeder geadviseerd om hulp te zoeken voor zichzelf. Ondanks dit
- klemmende - verzoek van de GI aan de moeder geeft zij aan dat zij al een tijd lang naar een psycholoog gaat en dat daaruit blijkt dat er met haar niets aan de hand is, wel kampt zij met schildklierproblemen. Intussen blijft de jeugdbescherming vastlopen bij de moeder. De GI zou daarom ook graag zien dat de moeder zich voor haar adviezen alsnog open stelt en meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek, dit opdat er meer duidelijkheid zal komen over haar sociaal-emotioneel functioneren om de juiste hulp te kunnen laten starten.
4.5.
Voor de in te zetten hulpverlening gericht op parallel (solo) ouderschap heeft de GI een aanmelding gedaan bij [jeugdzorg], bedoeld voor opvoedondersteuning aan de moeder bij het leren om gaan met een puberzoon. Echter heeft [jeugdzorg] de aanmelding afgewezen, waarvoor als reden is opgegeven dat eerdere adviezen door de moeder niet zijn opgevolgd. Vervolgens is, na gebleken enorme wachttijden bij Sterk Huis, een aanmelding bij
de Gezinsmanager gedaan. De moeder is echter, ondanks een aan haar gegeven schriftelijke aanwijzing, op het intake gesprek niet verschenen. Zij laat onverminderd blijken niet aan hulpverlening te willen meewerken.
4.6.
Met [minderjarige] is gesproken over hulpverlening specifiek voor hemzelf. [minderjarige] heeft daar - uiteindelijk - mee ingestemd. Besloten is om laagdrempelig met deze hulpverlening, die door [organisatie] zal worden geboden, te starten. [minderjarige] heeft zich positief uitgelaten over de intake die heeft plaats gevonden.
4.7.
De GI acht het voor de komende tijd van belang dat met name wordt gefocust op wat [minderjarige] voor zichzelf en in het contact met zijn moeder (nog) aan hulpverlening nodig heeft, dat ook de zomervakantieperiode daarin wordt meegenomen en dat het verloop en de resultaten daarvan gevolgd kunnen blijven worden. Rekening houdend met de periode die naar verwachting daarvoor nodig is en omdat de hulpverlening voor [minderjarige] vanuit [organisatie] nog moet gaan starten zou de GI ook kunnen instemmen met een verlenging van de onder-toezichtstelling voor een periode van drie maanden, waarbij de beslissing op het restantverzoek wordt aangehouden.
5Het standpunt van [minderjarige]
heeft tijdens het kindgesprek samengevat opgemerkt dat het goed gaat met hem bij zijn vader. Ook verloopt het contact tussen hem en zijn moeder positief en kunnen zij beter afspraken maken. Zij praat ook niet meer zo vaak over zijn vader. Wanneer zij dat wel doet maakt dit hem wel boos, maar weet hij daar neutraal op te reageren. Hij is nu twee weekenden in de maand bij zijn moeder, zoals afgesproken. Wel blijft het verloop wisselend, met kerstmis ging het nog mis, daardoor was het ook spannend. De onder-toezichtstelling ervaart hij nog steeds als helpend om dit soort situaties bespreekbaar te maken. Hij wil daarom dat de ondertoezichtstelling blijft doorlopen, ook omdat de hulp vanuit [organisatie] nog niet is gestart. Ten slotte wenst hij aan te geven dat hij tijdens de korte schoolvakanties bij zijn vader wil zijn en dat hij in de zomervakantieperiode langer bij zijn vader dan bij zijn moeder zou willen zijn.
6De standpunten van de belanghebbenden
6.1.
Door en namens de moeder is - samengevat - naar voren gebracht dat de moeder het beste wil voor [minderjarige], zij ziet dat hij gezien zijn leeftijds- en ontwikkelfase op meerdere vlakken behoefte heeft aan begrenzing. In de visie van de moeder rust op haar en ook op de vader als ouders de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat [minderjarige] die ook geboden krijgt. Verder maakt zij zich nog steeds veel zorgen over de gezondheid van [minderjarige], met name waar het zijn alcoholgebruik betreft en zijn schoolopleiding, die daaronder te lijden heeft. De vader laat in zijn opstelling zien dat hij deze zorgen niet als zodanig (h)erkent.
Beoordeling
7.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
7.2.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is naar het oordeel van
de kinderrechter overduidelijk gebleken dat er nog altijd sprake is van een situatie waarin er ernstige zorgen zijn dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] verkeert nog steeds in een situatie, waarin hij tussen zijn ouders ernstig klem is geraakt. [minderjarige] zal daarvoor hulpverlening gaan krijgen via [organisatie], die echter nog niet is gestart. Daarnaast zullen door de GI concreet de mogelijkheden om te komen tot solo parallel ouderschap, bij voor-keur via een traject bij de Gezinsmanager, onderzocht gaan worden. Een periode van zes maanden als verzocht is, naar op dit moment valt in te schatten, daarvoor minimaal noodzakelijk. Naar het oordeel van de kinderrechter dient de hulpverlening in een verplicht kader te worden voortgezet, nu alleen op die wijze verder kan worden gewerkt aan het veranderen/ombuigen van het spanningsvolle systeem waarin [minderjarige] en de ouders zich nog steeds bevinden, ook opdat de contactregeling in een voor [minderjarige] meer onbelaste sfeer zal kunnen plaats vinden en hij een belangrijkere stem zal krijgen waar het de frequentie en invulling van die regeling betreft.
7.4.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden.
7.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als hoger beroep zou worden ingesteld.
Dictum
De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 7 maart 2025 tot 7 september 2025;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.