Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-04
ECLI:NL:RBZWB:2025:1506
Strafrecht
Raadkamer
956 tokens
Dictum
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats],
wonende op het [adres],
hierna te noemen: verzoeker.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 15 november 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 1.400,73, € 1.400,73, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
de kennisgeving sepot van 23 oktober 2024;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 18 februari 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en verzoeker gehoord.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij vanwege de gerezen verdenking tegen hem en zijn partner een beroep moest doen op juridische bijstand waardoor bovengenoemde kosten zijn gemaakt. Verzocht wordt de vergoeding van deze kosten toe te wijzen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen ruimte bestaat om tot toewijzing van de vordering te komen, omdat het gaat om een bewijsbaar strafbaar feit. Verzoeker en zijn partner zijn niet ten onrechte als verdachten aangemerkt en hebben de kosten voor rechtskundige bijstand aan zichzelf te wijten.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of voor het laatst werd vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv kan een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het Openbaar Ministerie is op 23 oktober 2024 overgegaan tot een beleidssepot vanwege inmiddels gewijzigde omstandigheden. In zo’n geval kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had.
Verzoeker werd verdacht van verduistering. Er is een aangifte waaruit volgt dat verzoeker en zijn partner naar eigen zeggen goederen in onderpand uit een vakantiehuis hadden genomen omdat zij ontevreden waren over een defecte sauna. Met dit onderpand hoopten zij het totaalbedrag van het door hen geboekte verblijf terug te krijgen. Door het wegnemen van de goederen heeft de verzoeker de verdenking en de gemaakte kosten voor de rechtsbijstand aan zichzelf te wijten. De rechtbank acht geen gronden van billijkheid aanwezig om tot toewijzing van de kosten rechtsbijstand te komen. De rechtbank zal het verzochte bedrag aan kosten rechtsbijstand dan ook afwijzen.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding af.
Deze beslissing is op 4 maart 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis en mr. J. van Eekelen, griffiers, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 maart 2025.
Mr. Fanis en mr. Van Eekelen zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.