Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:1503
Strafrecht
Raadkamer
1,482 tokens
Dictum
[klager],
geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezende ten kantore van mr. F.LC. Schoolderman te Van Vollenhovenstraat 37, 3016 BG Rotterdam.
hierna te noemen: de klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 6 september 2024 een Lamborghini Urus met Duits [kenteken] onder [belanghebbende] in beslag is genomen;
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 11 oktober 2024 ter griffie van deze rechtbank;
de reactie van de officier van justitie;
het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 14 januari 2025 en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 25 februari 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis gehoord.
Klager en [belanghebbende] zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat klager eigenaar (kentekenhouder) is van het inbeslaggenomen voertuig en dat hij op geen enkele wijze betrokkenheid heeft bij strafbare feiten. Hij wordt daarom door het beslag onterecht geschaad.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag dient te worden gehandhaafd. Klager wordt gezien als een katvanger en in het dossier bevinden zich geen stukken waaruit blijkt dat klager het voertuig zelf heeft gekocht. Het klaagschrift moet ongegrond worden verklaard.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift. Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
In dit geval is klager een ander dan degene tegen wie het strafvorderlijk onderzoek zich richt. Klager stelt rechthebbende te zijn. en klaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave. De rechtbank zal dan bij de beoordeling ook rekening moeten houden met art. 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr. In dit artikel is bepaald onder welke voorwaarden een voorwerp dat niet aan de veroordeelde toebehoort kan worden verbeurd verklaard. Die verbeurdverklaring is mogelijk als de rechthebbende wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat kort gezegd er een relatie bestaat tussen het voorwerp en een strafbaar feit.
De rechtbank zal moeten beoordelen of klager als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt. Zij mag daarbij civielrechtelijke aspecten betrekken. De rechtbank hoeft daarbij geen burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties te beslechten. Het gaat om een voorlopig oordeel over eigendoms- en bezitsrechten.
In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit blijkt dat klager behalve dat hij kentekenhouder is ook redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat klager niet redelijkerwijs als rechthebbende van het voertuig kan worden aangemerkt. Zij merkt vooralsnog en bij de huidige stand van zaken beslagene [belanghebbende] aan als redelijkerwijs rechthebbende. De rechtbank zal het klaagschrift dan ook ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 11 maart 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis en mr. J. van Eekelen, griffiers, en is uitgesproken op de openbare zitting van 11 maart 2025.
Mr. Van Eekelen is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2003:AF3826.
ECLI:NL:HR:2003:AF6983.