Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:1393
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,195 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3982 KINDER
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van Dienst Toeslagen in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het uitblijven van een besluit inzake de integrale beoordeling. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat Dienst Toeslagen op 6 juli 2023 een besluit inzake de integrale beoordeling heeft genomen.
1.1.
De rechtbank heeft Dienst Toeslagen in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Dienst Toeslagen heeft de rechtbank verzocht om het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen. Daartoe voert de Dienst Toeslagen aan dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen is ingesteld nadat er een besluit was genomen.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Voldeed het beroepschrift aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of Dienst Toeslagen geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen. Voordat de rechtbank deze vraag kan beantwoorden, dient de rechtbank eerst te beoordelen of het beroepschrift voldeed aan de vereisten als genoemd in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.1.
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan een beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
4.2.
Dienst Toeslagen stelt dat verzoekster het beroep niet tijdig beslissen heeft ingediend nadat er op 6 juli 2023 een besluit is genomen inzake de integrale beoordeling en heeft een kopie van dit besluit overgelegd. De gemachtigde van verzoekster heeft niet betwist dat het besluit is ontvangen. Daaruit volgt dat ten tijde van het indienen van het beroepschrift op 26 april 2024 geen sprake (meer) was van niet tijdig beslissen. Als het beroep niet was ingetrokken, zou de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.
4.3.
De rechtbank concludeert dat met het besluit van 6 juli 2023 niet tegemoet gekomen is aan het daarna ingediende beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het verzoek van verzoekster om de Dienst Toeslagen te veroordelen in de proceskosten zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van S.E. van Noort, griffier, op 11 maart 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).