Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-28
ECLI:NL:RBZWB:2025:1277
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,075 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/856
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 februari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] (verzoeker) en [verzoekster] (verzoekster), uit [plaats], verzoekers
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college), verweerder.
Inleiding
1. Bij besluit van 3 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college besloten tot ambtshalve uitschrijving van verzoekers uit de Basisregistratie Personen (BRP) met als datum van opneming van het vertrek de datum van het voornemen daartoe. Dit voornemen is gedateerd op 30 oktober 2024.
2. Tegen het besluit van 3 februari 2025 hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
3. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gelaten.
Beoordeling
4. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Het college heeft op 19 februari 2025 telefonisch contact opgenomen met de rechtbank en haar gemeld dat verzoekers opnieuw zullen worden ingeschreven in de Brp. Verzoekers hebben in een brief van 21 februari 2025 aan de rechtbank bevestigd dat zij weer zijn ingeschreven. Het college heeft in een brief van 25 februari 2025 gemeld dat de aangiftes per 19 februari 2025 zijn verwerkt in de brp met verwijzing naar de bijgevoegde aangiftes. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers thans geen belang meer hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening, aangezien zij hebben gekregen wat zij met hun verzoek om voorlopige voorziening wilden bereiken, namelijk inschrijving in de Brp van de gemeente Tilburg.
6. De griffier heeft verzoekers op 19 februari 2025 verzocht om toe te lichten welk spoedeisend belang zij nog hebben bij een voorlopige voorziening. Verzoekers hebben geantwoord dat verzoeker door de uitschrijving geen recht meer heeft op begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De voorzieningenrechter overweegt dat, aangezien verzoeker weer staat ingeschreven in de gemeente Tilburg, hij opnieuw een aanvraag voor een Wmo-voorziening kan indienen. Daarin is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen spoedeisend belang gelegen bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verder heeft verzoeker aangegeven dat hij de Wmo-zorg die is genoten tijdens de maanden dat hij uitgeschreven was, terug moet gaan betalen. Los van het feit dat verzoeker niet heeft gesteld dat hij niet tot (terug)betaling in staat zou zijn, is kennelijk nog geen sprake van een daadwerkelijke terugvordering(beschikking). Ook hierin ziet de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang op grond waarvan de bezwaarprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.
Conclusie
7. Omdat het spoedeisend belang ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 28 februari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.