Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-02
ECLI:NL:RBZWB:2025:12
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,686 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/1179, 24/1180 en 24/1181
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 januari 2025 in de zaak tussen
1. [eiser 1]uit [plaats] ,
2. [eiser 2] , uit [plaats] ,
3. [eiser 3] , uit [plaats] ,
tezamen: eiseressen
(gemachtigde: mr. R.S. Namjesky),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, de burgemeester.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Woningcorporatie Laurentius, uit Breda (Laurentius)
(gemachtigde: mr. K.A.M. Jaspers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseressen tegen de bestreden besluiten van 7 december 2023 inzake de sluiting van de woning en de schuur op het adres [adres] te [plaats] voor de duur van één maand.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 21 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres 1, de gemachtigde van eiseressen, namens de burgemeester mr. M. Voesenek en [naam] en de gemachtigde van Laurentius.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de burgemeester de woning en de schuur in redelijkheid heeft kunnen sluiten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseressen.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
4. Eiseressen zijn woonachtig aan de [adres] te [plaats] . Laurentius is eigenaresse van de woning.
4.1.
De politie-eenheid Zeeland-West-Brabant heeft met het oog op handhaving van de openbare orde en veiligheid aan de burgemeester een bestuurlijke rapportage verstrekt, gedateerd 23 maart 2023. In de bestuurlijke rapportage is onder meer opgenomen dat in december 2022 naar aanleiding van een MMA-melding een onderzoek is ingesteld naar een kwalificeerde diefstal. Gedurende het onderzoek rees de verdenking van een overtreding van de Opiumwet. Uit het politieonderzoek is gebleken dat vanuit de woning aan de [adres] te [plaats] postpakketten met verdovende middelen werden samengesteld en per postpakketdienst werden verzonden. In meerdere bij de postpakketdienst aangeboden pakketten zijn verschillende verdovende middelen aangetroffen. Op 31 januari 2023 is waargenomen dat twee verdachten in een voertuig zaten met verschillende postpakketten en die pakketten werden achtergelaten op verschillende locaties. Het voertuig stond op naam van eiseres 1. De heer [eiser 2] , zijnde de zoon van eiseres 1 en samen met haar ingeschreven op hetzelfde adres aan de [adres] te [plaats] , werd later aangemerkt als bestuurder van het voertuig. In november 2021 en juni 2022 is een anonieme melding gedaan over handel in cocaïne vanuit de woning op dagelijkse basis. Op 6 februari 2023 is wegens verdenking van handel in verdovende middelen vanuit de woning, de woning binnengetreden. Op het perceel staat een woning en een schuur. In de schuur werd de heer [eiser 2] aangetroffen alsmede twee verhuisdozen met daarin verdovende middelen die verdachte daar voorhanden had en andere aan verdovende middelen gerelateerde producten. Uit onderzoek bleek het te gaan om:
36 kilogram amfetamine;
1531 stuks XTC-pillen;
2 kilo cocaïne;
2,323 kilogram ketamine;
een vacuümapparaat en lege vacuümzakken.
4.2.
De burgemeester heeft naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage op 29 maart 2023 zijn voornemen kenbaar gemaakt om over te gaan tot sluiting van de woning en de schuur voor de duur van drie maanden. Eiseressen hebben hiertegen hun zienswijze kenbaar gemaakt.
4.3.
De bestuurlijke rapportage is op 22 mei 2023 en 6 juli 2023 aangevuld. In de bestuurlijke rapportage van 22 mei 2023 is onder meer opgenomen dat de heer [eiser 2] en eiseres 2 ten tijde van het binnentreden van de woning in de woning aanwezig waren en dat de verdovende middelen niet in een afgesloten ruimte verstopt waren, maar voor een ieder die de schuur betrad, te zien. In de bestuurlijke rapportage van 6 juli 2023 is onder meer opgenomen dat verschillende dure goederen in de woning zijn aangetroffen.
4.4.
Met de primaire besluiten van 27 juni 2023 heeft de burgemeester de woning en de schuur gesloten voor de duur van één maand met ingang van 6 juli 2023. Eiseressen hebben hiertegen bezwaar gemaakt op 30 juni 2023 en verzocht om een voorlopige voorziening.
4.5.
De voorzieningenrechter heeft met de uitspraken van 24 juli 2023 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en bepaalt dat de opschorting van de begunstigingstermijn eindigt op 28 juli 2023.
4.6.
Met de bestreden besluiten heeft de burgemeester de bezwaren ongegrond verklaard.
Procesbelang
5. De rechtbank stelt zich – ambtshalve – voor de vraag of eiseressen nog procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep. Een belanghebbende heeft in beginsel geen procesbelang als hij datgene wat hij verlangt, niet (meer) kan bereiken met de procedure. In dit geval is de last onder bestuursdwang uitgewerkt en kan de woning weer bewoond worden. Eiseressen kunnen wat zij verlangen, namelijk het tegengaan van de sluiting, niet meer met deze procedure bereiken. De rechtbank acht echter procesbelang aanwezig, aangezien het tot op zekere hoogte aannemelijk is dat eiseressen als gevolg van het sluitingsbevel in hun eer en goede naam zijn aangetast. Bovendien hebben eiseressen ter zitting toegelicht dat de uitkomst van deze procedure van belang kan zijn voor de procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst.
Bevoegdheid burgemeester
6. Eiseressen hebben aangevoerd dat de burgemeester de woning niet mocht sluiten. Zij zijn namelijk niet aan te merken als overtreder, omdat functioneel daderschap ontbreekt. Eiseressen hebben daarbij verwezen naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS).
6.1.
Uit artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet volgt dat de burgemeester bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Een bestuursorgaan mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende bestuurlijke rapportage, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van de rapportage weergeven. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zulke twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
6.2.
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de weergave van de bevindingen van de politie als vermeld in de bestuurlijke rapportage. Deze rapportage is op ambtseed opgemaakt. De bevindingen aangaande het aantreffen van de verdovende middelen worden door eiseressen niet betwist. In de bestuurlijke rapportage is opgenomen dat in de schuur verschillende verdovende middelen zijn aangetroffen, namelijk amfetamine, XTC-pillen, cocaïne en ketamine. Amfetamine, XTC en cocaïne zijn middelen als bedoeld in lijst I. Tussen partijen is niet in geschil dat het om een grote hoeveelheid verschillende harddrugs gaat. De burgemeester mocht er om die reden van uitgaan dat de aangetroffen verdovende middelen waren bestemd voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan en was daarmee bevoegd om over te gaan tot sluiting.
6.3.
Eiseressen hebben niet langer (gemotiveerd) betwist dat sprake is van samenhang tussen de woning en de schuur. De voorzieningenrechter heeft hier eerder over geoordeeld en de rechtbank ziet geen reden om hier thans anders over te oordelen. De burgemeester was daarmee bevoegd om zowel de woning als de schuur te sluiten op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet.
6.4.
Het feit dat eiseressen van mening zijn dat zij niet zijn aan te merken als overtreder, maakt het bovenstaande niet anders. Anders dan eiseressen hebben aangevoerd, is voor de bevoegdheid tot sluiting van een pand niet bepalend of de betrokkene, als huurder en hoofdbewoner van het pand, zelf de overtreder is. Een beslissing op grond van artikel 13b van de Opiumwet is gericht op het pand en niet op een persoon. De sluitingsbevoegdheid is dus gekoppeld aan wat in een pand aan aanwezige stoffen en voorwerpen is aangetroffen. Daarnaast gaat de uitspraak waar eiseressen naar verwijzen over het opleggen van een bestuurlijke boete. Daarbij is de overtreding wel gericht op de betrokkene en behelst dat daarmee een ander toetsingscriterium. De vraag of het eiseressen kan worden verweten dat er drugs in de schuur zijn aangetroffen, speelt wel een rol bij de vraag of de maatregel van woningsluiting evenwichtig is.
Conclusie
13. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester de woning en de schuur in redelijkheid heeft kunnen sluiten. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 2 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
In artikel 3:4, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
In artikel 4:84 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende (a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en (b) de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Opiumwet
Op grond van artikel 2 van de Opiumwet – voor zover relevant – is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I:
(..)
B. te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
(..)
Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Amfetamine, xtc en cocaïne staan op lijst I. Ketamine is een verboden middel op grond van de Geneesmiddelenwet.
Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet gemeente Breda
4.Sluitingsduur
(..)
Vanwege het grote gevaar voor de openbare orde en de volksgezondheid dat uitgaat van de illegale handel in drugs, is het uitgangspunt dat zowel bij woningen als lokalen direct wordt overgegaan tot een sluiting, indien het aannemelijk is dat daar een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is of indien sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen.
-Voor woningen wordt bij een sluiting in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van drie maanden.
-Voor lokalen (al dan niet voor publiek toegankelijk) wordt bij een sluiting in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van zes maanden.
Deze termijn is nodig om de geschonden openbare orde te herstellen en de overige hiervoor genoemde doelen te bereiken die met de sluiting worden voorgestaan.
Indicatoren:
-De hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of lijst II van de Opiumwet. Hierbij kan gedacht worden aan de aangetroffen middelen, in hoeverre sprake is van handelshoeveelheden van verschillende middelen, de combinatie van soft- en harddrugs, maar ook aan de hoeveelheid.
-De impact die de situatie in het te sluiten pand heeft op de veiligheid van het woon- en leefklimaat van de directe omgeving. Hierbij kan gedacht worden aan aanloop van personen die met drugshandel en/of drugsgebruik in verband kunnen worden gebracht. Ook de buurt waar het pand zich bevindt kan worden meegewogen. Staat de omgeving van de woning al langer onder druk in verband met drugsoverlast, bijvoorbeeld blijkend uit een negatieve score op de veiligheidsindex, dan kan worden overwogen dat een drugsvondst sneller het toch al broze woon- en leefklimaat in gevaar brengt.
-Strafbare feiten, geweldsdelicten, wapenbezit als bedoeld in de Wet wapens en munitie of andere openbare orde-delicten gerelateerd aan de woning. Hierbij kan gedacht worden aan gerelateerde feiten in de zin dat in de woning personen worden aangetroffen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit gedurende de afgelopen drie jaar, of zich ten aanzien van dergelijke feiten recidivist hebben getoond.
-Verwijtbaar gedrag van bewoners/betrokkenen of betrokkenheid bij personen met antecedenten. Hierbij kan gedacht worden aan aantoonbare relaties van bewoners/betrokkenen met personen die bij de politie bekend staan als drugshandelaren, al dan niet in georganiseerd verband, of die bekend staan in verband met georganiseerde criminaliteit.
(..)
5.4
Sluiting
Als uitgangspunt bij optreden wordt bij handel in drugs in de regel gekozen voor een sluiting (het toepassen van bestuursdwang) en niet voor het opleggen van een dwangsom. Een sluiting wordt gezien als het meest effectieve middel om de overtreding ongedaan te maken, een einde te maken aan de handel in drugs vanuit dat pand en de loop naar dat pand te ontnemen, zodat klanten en dealers geen gebruik meer maken van dat pand voor de handel in drugs.
Rb Zeeland-West-Brabant 24 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:5194. ECLI:NL:RBZWB:2023:5195 en ECLI:NL:RBZWB:2023:5196.
ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:396.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3906.
Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet gemeente Breda .
ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Zie voetnoot 5.
ABRvS 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2856, r.o. 3.4 en ABRvS 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2774, r.o. 4.2.
ABRvS 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2462.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/1179, 24/1180 en 24/1181
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 januari 2025 in de zaak tussen
1. [eiser 1]uit [plaats] ,
2. [eiser 2] , uit [plaats] ,
3. [eiser 3] , uit [plaats] ,
tezamen: eiseressen
(gemachtigde: mr. R.S. Namjesky),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, de burgemeester.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Woningcorporatie Laurentius, uit Breda (Laurentius)
(gemachtigde: mr. K.A.M. Jaspers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseressen tegen de bestreden besluiten van 7 december 2023 inzake de sluiting van de woning en de schuur op het adres [adres] te [plaats] voor de duur van één maand.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 21 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres 1, de gemachtigde van eiseressen, namens de burgemeester mr. M. Voesenek en [naam] en de gemachtigde van Laurentius.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de burgemeester de woning en de schuur in redelijkheid heeft kunnen sluiten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseressen.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
4. Eiseressen zijn woonachtig aan de [adres] te [plaats] . Laurentius is eigenaresse van de woning.
4.1.
De politie-eenheid Zeeland-West-Brabant heeft met het oog op handhaving van de openbare orde en veiligheid aan de burgemeester een bestuurlijke rapportage verstrekt, gedateerd 23 maart 2023. In de bestuurlijke rapportage is onder meer opgenomen dat in december 2022 naar aanleiding van een MMA-melding een onderzoek is ingesteld naar een kwalificeerde diefstal. Gedurende het onderzoek rees de verdenking van een overtreding van de Opiumwet. Uit het politieonderzoek is gebleken dat vanuit de woning aan de [adres] te [plaats] postpakketten met verdovende middelen werden samengesteld en per postpakketdienst werden verzonden. In meerdere bij de postpakketdienst aangeboden pakketten zijn verschillende verdovende middelen aangetroffen. Op 31 januari 2023 is waargenomen dat twee verdachten in een voertuig zaten met verschillende postpakketten en die pakketten werden achtergelaten op verschillende locaties. Het voertuig stond op naam van eiseres 1. De heer [eiser 2] , zijnde de zoon van eiseres 1 en samen met haar ingeschreven op hetzelfde adres aan de [adres] te [plaats] , werd later aangemerkt als bestuurder van het voertuig. In november 2021 en juni 2022 is een anonieme melding gedaan over handel in cocaïne vanuit de woning op dagelijkse basis. Op 6 februari 2023 is wegens verdenking van handel in verdovende middelen vanuit de woning, de woning binnengetreden. Op het perceel staat een woning en een schuur. In de schuur werd de heer [eiser 2] aangetroffen alsmede twee verhuisdozen met daarin verdovende middelen die verdachte daar voorhanden had en andere aan verdovende middelen gerelateerde producten. Uit onderzoek bleek het te gaan om:
36 kilogram amfetamine;
1531 stuks XTC-pillen;
2 kilo cocaïne;
2,323 kilogram ketamine;
een vacuümapparaat en lege vacuümzakken.
4.2.
De burgemeester heeft naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage op 29 maart 2023 zijn voornemen kenbaar gemaakt om over te gaan tot sluiting van de woning en de schuur voor de duur van drie maanden. Eiseressen hebben hiertegen hun zienswijze kenbaar gemaakt.
4.3.
De bestuurlijke rapportage is op 22 mei 2023 en 6 juli 2023 aangevuld. In de bestuurlijke rapportage van 22 mei 2023 is onder meer opgenomen dat de heer [eiser 2] en eiseres 2 ten tijde van het binnentreden van de woning in de woning aanwezig waren en dat de verdovende middelen niet in een afgesloten ruimte verstopt waren, maar voor een ieder die de schuur betrad, te zien. In de bestuurlijke rapportage van 6 juli 2023 is onder meer opgenomen dat verschillende dure goederen in de woning zijn aangetroffen.
4.4.
Met de primaire besluiten van 27 juni 2023 heeft de burgemeester de woning en de schuur gesloten voor de duur van één maand met ingang van 6 juli 2023. Eiseressen hebben hiertegen bezwaar gemaakt op 30 juni 2023 en verzocht om een voorlopige voorziening.
4.5.
De voorzieningenrechter heeft met de uitspraken van 24 juli 2023 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en bepaalt dat de opschorting van de begunstigingstermijn eindigt op 28 juli 2023.
4.6.
Met de bestreden besluiten heeft de burgemeester de bezwaren ongegrond verklaard.
Procesbelang
5. De rechtbank stelt zich – ambtshalve – voor de vraag of eiseressen nog procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep. Een belanghebbende heeft in beginsel geen procesbelang als hij datgene wat hij verlangt, niet (meer) kan bereiken met de procedure. In dit geval is de last onder bestuursdwang uitgewerkt en kan de woning weer bewoond worden. Eiseressen kunnen wat zij verlangen, namelijk het tegengaan van de sluiting, niet meer met deze procedure bereiken. De rechtbank acht echter procesbelang aanwezig, aangezien het tot op zekere hoogte aannemelijk is dat eiseressen als gevolg van het sluitingsbevel in hun eer en goede naam zijn aangetast. Bovendien hebben eiseressen ter zitting toegelicht dat de uitkomst van deze procedure van belang kan zijn voor de procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst.
Bevoegdheid burgemeester
6. Eiseressen hebben aangevoerd dat de burgemeester de woning niet mocht sluiten. Zij zijn namelijk niet aan te merken als overtreder, omdat functioneel daderschap ontbreekt. Eiseressen hebben daarbij verwezen naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS).
6.1.
Uit artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet volgt dat de burgemeester bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Een bestuursorgaan mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende bestuurlijke rapportage, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van de rapportage weergeven. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zulke twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
6.2.
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de weergave van de bevindingen van de politie als vermeld in de bestuurlijke rapportage. Deze rapportage is op ambtseed opgemaakt. De bevindingen aangaande het aantreffen van de verdovende middelen worden door eiseressen niet betwist. In de bestuurlijke rapportage is opgenomen dat in de schuur verschillende verdovende middelen zijn aangetroffen, namelijk amfetamine, XTC-pillen, cocaïne en ketamine. Amfetamine, XTC en cocaïne zijn middelen als bedoeld in lijst I. Tussen partijen is niet in geschil dat het om een grote hoeveelheid verschillende harddrugs gaat. De burgemeester mocht er om die reden van uitgaan dat de aangetroffen verdovende middelen waren bestemd voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan en was daarmee bevoegd om over te gaan tot sluiting.
6.3.
Eiseressen hebben niet langer (gemotiveerd) betwist dat sprake is van samenhang tussen de woning en de schuur. De voorzieningenrechter heeft hier eerder over geoordeeld en de rechtbank ziet geen reden om hier thans anders over te oordelen. De burgemeester was daarmee bevoegd om zowel de woning als de schuur te sluiten op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet.
6.4.
Het feit dat eiseressen van mening zijn dat zij niet zijn aan te merken als overtreder, maakt het bovenstaande niet anders. Anders dan eiseressen hebben aangevoerd, is voor de bevoegdheid tot sluiting van een pand niet bepalend of de betrokkene, als huurder en hoofdbewoner van het pand, zelf de overtreder is. Een beslissing op grond van artikel 13b van de Opiumwet is gericht op het pand en niet op een persoon. De sluitingsbevoegdheid is dus gekoppeld aan wat in een pand aan aanwezige stoffen en voorwerpen is aangetroffen. Daarnaast gaat de uitspraak waar eiseressen naar verwijzen over het opleggen van een bestuurlijke boete. Daarbij is de overtreding wel gericht op de betrokkene en behelst dat daarmee een ander toetsingscriterium. De vraag of het eiseressen kan worden verweten dat er drugs in de schuur zijn aangetroffen, speelt wel een rol bij de vraag of de maatregel van woningsluiting evenwichtig is.
Conclusie
13. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester de woning en de schuur in redelijkheid heeft kunnen sluiten. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 2 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
In artikel 3:4, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
In artikel 4:84 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende (a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en (b) de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Opiumwet
Op grond van artikel 2 van de Opiumwet – voor zover relevant – is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I:
(..)
B. te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
(..)
Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Amfetamine, xtc en cocaïne staan op lijst I. Ketamine is een verboden middel op grond van de Geneesmiddelenwet.
Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet gemeente Breda
4.Sluitingsduur
(..)
Vanwege het grote gevaar voor de openbare orde en de volksgezondheid dat uitgaat van de illegale handel in drugs, is het uitgangspunt dat zowel bij woningen als lokalen direct wordt overgegaan tot een sluiting, indien het aannemelijk is dat daar een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is of indien sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen.
-Voor woningen wordt bij een sluiting in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van drie maanden.
-Voor lokalen (al dan niet voor publiek toegankelijk) wordt bij een sluiting in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van zes maanden.
Deze termijn is nodig om de geschonden openbare orde te herstellen en de overige hiervoor genoemde doelen te bereiken die met de sluiting worden voorgestaan.
Indicatoren:
-De hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of lijst II van de Opiumwet. Hierbij kan gedacht worden aan de aangetroffen middelen, in hoeverre sprake is van handelshoeveelheden van verschillende middelen, de combinatie van soft- en harddrugs, maar ook aan de hoeveelheid.
-De impact die de situatie in het te sluiten pand heeft op de veiligheid van het woon- en leefklimaat van de directe omgeving. Hierbij kan gedacht worden aan aanloop van personen die met drugshandel en/of drugsgebruik in verband kunnen worden gebracht. Ook de buurt waar het pand zich bevindt kan worden meegewogen. Staat de omgeving van de woning al langer onder druk in verband met drugsoverlast, bijvoorbeeld blijkend uit een negatieve score op de veiligheidsindex, dan kan worden overwogen dat een drugsvondst sneller het toch al broze woon- en leefklimaat in gevaar brengt.
-Strafbare feiten, geweldsdelicten, wapenbezit als bedoeld in de Wet wapens en munitie of andere openbare orde-delicten gerelateerd aan de woning. Hierbij kan gedacht worden aan gerelateerde feiten in de zin dat in de woning personen worden aangetroffen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit gedurende de afgelopen drie jaar, of zich ten aanzien van dergelijke feiten recidivist hebben getoond.
-Verwijtbaar gedrag van bewoners/betrokkenen of betrokkenheid bij personen met antecedenten. Hierbij kan gedacht worden aan aantoonbare relaties van bewoners/betrokkenen met personen die bij de politie bekend staan als drugshandelaren, al dan niet in georganiseerd verband, of die bekend staan in verband met georganiseerde criminaliteit.
(..)
5.4
Sluiting
Als uitgangspunt bij optreden wordt bij handel in drugs in de regel gekozen voor een sluiting (het toepassen van bestuursdwang) en niet voor het opleggen van een dwangsom. Een sluiting wordt gezien als het meest effectieve middel om de overtreding ongedaan te maken, een einde te maken aan de handel in drugs vanuit dat pand en de loop naar dat pand te ontnemen, zodat klanten en dealers geen gebruik meer maken van dat pand voor de handel in drugs.
Rb Zeeland-West-Brabant 24 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:5194. ECLI:NL:RBZWB:2023:5195 en ECLI:NL:RBZWB:2023:5196.
ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:396.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3906.
Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet gemeente Breda .
ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Zie voetnoot 5.
ABRvS 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2856, r.o. 3.4 en ABRvS 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2774, r.o. 4.2.
ABRvS 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2462.
Feiten
Daar zal verder in deze uitspraak op worden ingegaan.
Evenredigheid
7. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. De burgemeester dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of, en zo ja op welke wijze, hij van zijn bevoegdheid gebruik maakt.
7.1.
De burgemeester heeft beleid vastgesteld omtrent de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet. In het beleid is opgenomen dat vanwege het grote gevaar voor de openbare orde en de volksgezondheid dat uitgaat van de illegale handel in drugs, het uitgangspunt is dat zowel bij woningen als lokalen direct wordt overgegaan tot een sluiting, indien het aannemelijk is dat daar een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, verstrekt of afgeleverd dan wel daartoe aanwezig is of indien sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen. Voor woningen wordt bij een sluiting in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van drie maanden. De burgemeester hanteert daarbij diverse indicatoren. De burgemeester heeft in deze zaken een kortere sluiting opgelegd, namelijk van de duur van één maand. In de primaire besluiten heeft de burgemeester gemotiveerd dat de ingediende zienswijzen en het tijdsverloop tussen de zienswijzen en de primaire besluiten, aanleiding geven om een sluiting van de duur van één maand op te leggen.
7.2.
Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb mogen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In dit geval behelst de toets aan deze bepaling dat de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de sluiting van de woning worden beoordeeld.
7.3.
De rechtbank zal zich bij de beoordeling van de gronden baseren op de uitspraak van de ABRvS van 2 februari 2022 (evenredigheidsuitspraak). In de evenredigheidsuitspraak heeft de ABRvS overwogen dat het bestreden besluit geschikt en noodzakelijk moet zijn om de beoogde doelen te bereiken en dat de genomen maatregel evenwichtig moet zijn.
Geschiktheid
8. In het beleid is opgenomen dat een sluiting als doel heeft om drugshandel tegen te gaan en verdere overtredingen in het pand te voorkomen, een signaal af te geven richting drugscriminelen en omwonenden, de kwaliteit van het woon- en leefklimaat te verbeteren en een preventief effect te creëren. Tussen partijen is niet in geschil dat het sluiten van de woning en de schuur geschikt is om voornoemde doelen te bereiken.
Noodzakelijkheid
9. Uit de uitspraak van de ABRvS van 2 februari 2022 volgt dat bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee kan worden bereikt. Aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre de sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Bij de aanwezigheid van een aantal omstandigheden is de noodzaak om tot sluiting over te gaan groter, bijvoorbeeld de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs, een recidivesituatie of de ligging van de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk. Voor de beoordeling van de ernst en de omvang van de overtreding is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Als blijkt dat de aangetroffen drugs niet in of vanuit de woning werden verhandeld, kan echter in mindere mate sprake zijn van een ‘loop’ naar de woning, wat de noodzaak om te sluiten gelet op het beoogde herstelkarakter van de maatregel minder groot kan maken.
9.1.
Eiseressen hebben betoogd dat de sluiting niet noodzakelijk was. Niet is gebleken dat sprake is geweest van een ‘loop’ naar de woning, overlast rondom de woning of recidive. De verdovende middelen zijn maar voor korte tijd aanwezig geweest in de schuur. Daarnaast is in de bestuurlijke rapportage niet onderbouwd dat de postpakketten daadwerkelijk vanuit de woning werden verstuurd. Ook is de woning niet gelegen in een kwetsbare wijk. Eiseressen hebben statistieken overgelegd waarin is opgenomen hoeveel misdrijven met betrekking tot drugshandel hebben plaatsgevonden in welke wijk per 10.000 inwoners. Daaruit volgt volgens hen dat in de wijk Wisselaar weinig misdrijven plaatsvinden met betrekking tot drugshandel.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van noodzakelijkheid tot het sluiten van de woning en de schuur. Er is een handelshoeveelheid verschillende harddrugs aangetroffen in de schuur. Daarnaast zijn ook goederen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de handel in verdovende middelen, namelijk een vacuümapparaat en lege vacuümzakken. De bestuurlijke rapportage bevat voldoende aanwijzingen dat één van de bewoners (de heer [eiser 2] ) op enigerlei wijze betrokken was bij de handel in verdovende middelen. Daarnaast heeft de burgemeester toegelicht dat de woning ligt in een wijk waar meerdere registraties zijn in verband met drugsdelicten. Er zijn in de afgelopen twee jaar, tenminste elf drugsgerelateerde incidenten geconstateerd in de nabije omgeving van de woning. De statistieken die eiseressen hebben overgelegd doen daar niet aan af. De burgemeester is in redelijkheid uitgegaan van de statistieken die de politie aan hem heeft overgelegd. De woning is daarmee gelegen in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk.
Evenwichtigheid
10. De burgemeester moet vervolgens nagaan of de sluiting evenwichtig is. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
10.1.
Eiseressen hebben aangevoerd dat de sluiting onevenwichtig is omdat zij niet aan te merken zijn als overtreder. Zij wisten niet en konden niet weten dat de schuur werd gebruikt als opslag voor verdovende middelen. Eiseressen hielden voldoende toezicht op de woning. Daarnaast valt de sluiting van de woning voor eiseressen onevenredig zwaar.
10.2.
De burgemeester dient te motiveren of eiseressen kan worden verweten dat er verdovende middelen in de schuur zijn aangetroffen. Het ontbreken van verwijtbaarheid afzonderlijk of samen met andere omstandigheden zou kunnen leiden tot het oordeel dat de burgemeester niet van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik mag maken. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS blijkt dat een bewoner geen verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning.
Feiten
Daar zal verder in deze uitspraak op worden ingegaan.
Evenredigheid
7. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. De burgemeester dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of, en zo ja op welke wijze, hij van zijn bevoegdheid gebruik maakt.
7.1.
De burgemeester heeft beleid vastgesteld omtrent de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet. In het beleid is opgenomen dat vanwege het grote gevaar voor de openbare orde en de volksgezondheid dat uitgaat van de illegale handel in drugs, het uitgangspunt is dat zowel bij woningen als lokalen direct wordt overgegaan tot een sluiting, indien het aannemelijk is dat daar een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, verstrekt of afgeleverd dan wel daartoe aanwezig is of indien sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen. Voor woningen wordt bij een sluiting in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van drie maanden. De burgemeester hanteert daarbij diverse indicatoren. De burgemeester heeft in deze zaken een kortere sluiting opgelegd, namelijk van de duur van één maand. In de primaire besluiten heeft de burgemeester gemotiveerd dat de ingediende zienswijzen en het tijdsverloop tussen de zienswijzen en de primaire besluiten, aanleiding geven om een sluiting van de duur van één maand op te leggen.
7.2.
Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb mogen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In dit geval behelst de toets aan deze bepaling dat de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de sluiting van de woning worden beoordeeld.
7.3.
De rechtbank zal zich bij de beoordeling van de gronden baseren op de uitspraak van de ABRvS van 2 februari 2022 (evenredigheidsuitspraak). In de evenredigheidsuitspraak heeft de ABRvS overwogen dat het bestreden besluit geschikt en noodzakelijk moet zijn om de beoogde doelen te bereiken en dat de genomen maatregel evenwichtig moet zijn.
Geschiktheid
8. In het beleid is opgenomen dat een sluiting als doel heeft om drugshandel tegen te gaan en verdere overtredingen in het pand te voorkomen, een signaal af te geven richting drugscriminelen en omwonenden, de kwaliteit van het woon- en leefklimaat te verbeteren en een preventief effect te creëren. Tussen partijen is niet in geschil dat het sluiten van de woning en de schuur geschikt is om voornoemde doelen te bereiken.
Noodzakelijkheid
9. Uit de uitspraak van de ABRvS van 2 februari 2022 volgt dat bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee kan worden bereikt. Aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre de sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Bij de aanwezigheid van een aantal omstandigheden is de noodzaak om tot sluiting over te gaan groter, bijvoorbeeld de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs, een recidivesituatie of de ligging van de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk. Voor de beoordeling van de ernst en de omvang van de overtreding is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Als blijkt dat de aangetroffen drugs niet in of vanuit de woning werden verhandeld, kan echter in mindere mate sprake zijn van een ‘loop’ naar de woning, wat de noodzaak om te sluiten gelet op het beoogde herstelkarakter van de maatregel minder groot kan maken.
9.1.
Eiseressen hebben betoogd dat de sluiting niet noodzakelijk was. Niet is gebleken dat sprake is geweest van een ‘loop’ naar de woning, overlast rondom de woning of recidive. De verdovende middelen zijn maar voor korte tijd aanwezig geweest in de schuur. Daarnaast is in de bestuurlijke rapportage niet onderbouwd dat de postpakketten daadwerkelijk vanuit de woning werden verstuurd. Ook is de woning niet gelegen in een kwetsbare wijk. Eiseressen hebben statistieken overgelegd waarin is opgenomen hoeveel misdrijven met betrekking tot drugshandel hebben plaatsgevonden in welke wijk per 10.000 inwoners. Daaruit volgt volgens hen dat in de wijk Wisselaar weinig misdrijven plaatsvinden met betrekking tot drugshandel.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van noodzakelijkheid tot het sluiten van de woning en de schuur. Er is een handelshoeveelheid verschillende harddrugs aangetroffen in de schuur. Daarnaast zijn ook goederen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de handel in verdovende middelen, namelijk een vacuümapparaat en lege vacuümzakken. De bestuurlijke rapportage bevat voldoende aanwijzingen dat één van de bewoners (de heer [eiser 2] ) op enigerlei wijze betrokken was bij de handel in verdovende middelen. Daarnaast heeft de burgemeester toegelicht dat de woning ligt in een wijk waar meerdere registraties zijn in verband met drugsdelicten. Er zijn in de afgelopen twee jaar, tenminste elf drugsgerelateerde incidenten geconstateerd in de nabije omgeving van de woning. De statistieken die eiseressen hebben overgelegd doen daar niet aan af. De burgemeester is in redelijkheid uitgegaan van de statistieken die de politie aan hem heeft overgelegd. De woning is daarmee gelegen in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk.
Evenwichtigheid
10. De burgemeester moet vervolgens nagaan of de sluiting evenwichtig is. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
10.1.
Eiseressen hebben aangevoerd dat de sluiting onevenwichtig is omdat zij niet aan te merken zijn als overtreder. Zij wisten niet en konden niet weten dat de schuur werd gebruikt als opslag voor verdovende middelen. Eiseressen hielden voldoende toezicht op de woning. Daarnaast valt de sluiting van de woning voor eiseressen onevenredig zwaar.
10.2.
De burgemeester dient te motiveren of eiseressen kan worden verweten dat er verdovende middelen in de schuur zijn aangetroffen. Het ontbreken van verwijtbaarheid afzonderlijk of samen met andere omstandigheden zou kunnen leiden tot het oordeel dat de burgemeester niet van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik mag maken. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS blijkt dat een bewoner geen verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning.