Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-21
ECLI:NL:RBZWB:2025:1021
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,242 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6529
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2025 in de zaak van
[eiser], uit [plaats], eiser.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser. Eiser heeft beroep ingesteld omdat eiser het niet eens is met het bericht van [wethouder] om niet meer te reageren op vragen van eiser over bodemverontreiniging in ontwikkelingsgebied “[locatie]”.
Beoordeling
2. Eiser heeft op 28 augustus 2024 een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Het beroep van eiser is ingesteld tegen een e-mail van 23 augustus 2024 van [wethouder] van de gemeente Tilburg.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de rechtbank onbevoegd om van het beroepschrift kennis te nemen, omdat de e-mail van 23 augustus 2024 van [wethouder] geen besluit is in de zin van de Awb. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij tot dit oordeel komt.
4. Beroep bij de bestuursrechter kan alleen worden ingesteld tegen een besluit, zo volgt uit artikel 8:1 van de Awb. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat uitgelegd wat onder besluit wordt verstaan. Dit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is volgens de wetgever een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg. Een beslissing heeft onder andere rechtsgevolg als zij er op is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen.
5. Het is dus de vraag of sprake is van een beslissing inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
5.1.
De e-mail van [wethouder] van 23 augustus 2024 is aan eiser gestuurd in reactie op de vraag van eiser om uitleg te geven over bodemsanering en de daaraan verbonden uitgaven. [wethouder] merkt op dat hij de vraag van eiser niet kan beantwoorden, omdat de gemeente Tilburg niet de opdrachtgever van de sanering is. Verder laat de wethouder weten niet meer te reageren op vragen van eiser over de bodemverontreiniging.
5.2.
Eiser heeft ter zitting zijn zorgen geuit over de bodemverontreiniging en de volgens hem gebrekkige sanering ervan voorafgaand aan de bouw van woningen op het terrein. Hij meent dat de gemeente Tilburg daarvoor verantwoordelijkheid moet nemen en dat de uitlating van de wethouder er een blijk van is dat de gemeente dat niet doet. Verder heeft eiser toegelicht dat zijn vraag aan [wethouder] is gericht op het verkrijgen van het standpunt van de gemeente Tilburg over de bodemverontreiniging en saneringsprocedure. De rechtbank stelt vast dat de vraag van eiser geen verzoek is om documenten over een bepaald onderwerp openbaar te maken in de zin van de Wet open overheid.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de e-mail van 23 augustus 2024 van [wethouder] alleen informatief van aard is. De rechtbank stelt vast dat de informatie in ieder geval niet is bedoeld om een rechtsgevolg in het leven te roepen. De betreffende e-mail is daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daardoor bestaat voor eiser geen grondslag om tegen de e-mail beroep bij de bestuursrechter in te stellen.
5.4.
Omdat de rechtbank geen aanknopingspunt ziet voor het oordeel dat de mededeling van de wethouder een besluit in de zin van de Awb bevat, kan deze procedure niet leiden tot het door eiser gewenste resultaat.
Conclusie
6. De rechtbank is onbevoegd om van het beroepschrift kennis te nemen. Omdat de rechtbank onbevoegd is, mag zij de zaak niet inhoudelijk behandelen.
7. Omdat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van het beroep zal geen griffierecht worden geheven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.S. van Bree, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.A. Vissers, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.