Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2024:978
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,772 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/418611 / FA RK 24/460
Beschikking van 5 februari 2024 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot verlenging van een crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
thans verblijvende in de [accommodatie] , [locatie]
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. V.C. Andeweg te Breda.
Procesverloop
1.1
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 1 februari 2024, waarin de officier van justitie heeft verzocht om voortzetting van de op 31 januari 2024 opgelegde crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een afschrift van de beschikking van de burgemeester van de gemeente Breda tot het nemen van de crisismaatregel van 31 januari 2024;
- de medische verklaring van 31 januari 2024;
- een afschrift van de justitiële documentatie en politiemutaties.
1.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 5 februari 2024, in de hierboven genoemde accommodatie.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig en zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- mevrouw [naam 1] , FACT;
- mevrouw [naam 2] , verpleegkundig specialist/behandelaar.
Tevens was advocaat [naam 3] als toehoorder aanwezig.
1.4
De officier is zoals hij reeds aangaf in zijn verzoek niet op de mondelinge behandeling verschenen en dus ook niet gehoord.
2Verzoek
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor betrokkene te verlenen voor de navolgende zorgvormen:
- toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen
- opnemen in een accommodatie.
3Standpunten
3.1
Betrokkene merkt op dat zij een turbulente periode achter de rug heeft die gepaard ging met veel zinloos geweld. Sinds zij op grond van de crisismaatregel is opgenomen in de Ggz instelling komt zij met de tot dusver geboden zorg wat meer tot rust en gaat het geleide-lijk beter met haar. Wel ziet zij in dat voortzetting van die zorg nodig is om verder te kunnen stabiliseren. Zij is dus bereid voor zo lang als haar behandelaar dit nog nodig acht aan bedoelde zorg in een vrijwillig kader mee te blijven werken.
3.2
De verpleegkundig specialist brengt naar voren dat betrokkene in een situatie is geraakt, waarbij sprake is geweest van fors geweld van haar naar de politie alsook van een tegenreactie, respectievelijk van haar naar zorgverleners. Door deze uitzonderlijk heftige situatie heeft zij zich pas hedenochtend een reëel beeld van de situatie van betrokkene kunnen vormen. Er is in haar visie, gelet op de door betrokkene getoonde bereidheid om haar medewerking aan de nog noodzakelijke klinische zorg in een vrijwillig kader voort te zetten, geen aanleiding meer voor voortzetting van de crisismaatregel.
3.3
De advocaat van betrokkene voert aan dat haar uit de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene bereid is aan de klinische zorg die voor verdere stabilisatie nog noodzakelijk is in een vrijwillig kader te blijven meewerken en dat haar behandelaar daar achter kan staan. Daarmee is sprake van een minder bezwarend alternatief dat hetzelfde beoogde effect heeft. Dit betekent dat aan de wettelijke vereisten voor een voortzetting van de crisismaatregel niet wordt voldaan en het verzoek moet worden afgewezen.
Beoordeling
4.1
Uit de overgelegde stukken en mondelinge behandeling is gebleken dat door de burgemeester van Breda ten aanzien van betrokkene op 31 januari 2024 een crisis-maatregel werd en kon worden genomen omdat op dat moment voldaan werd aan de in artikel 7:1 Wvggz gestelde wettelijke eisen dat:
- er onmiddellijk dreigend ernstig nadeel is;
- er een ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van betrokkene als gevolg van een psychische stoornis dit dreigend ernstig nadeel veroorzaakt;
- met de crisismaatregel het ernstig nadeel kan worden weggenomen;
- de crisissituatie dermate ernstig is dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht;
- er verzet is tegen de zorg als bedoeld in artikel 1:4 Wvggz.
4.2
Tijdens de mondelinge behandeling heeft betrokkene aangegeven dat zij inziet dat zij zorg behoeft en heeft zij zich voorts uitdrukkelijk bereid verklaard om vrijwillig mee te werken aan door de getroffen crisismaatregel ingezette, voor haar noodzakelijke klinische zorg, terwijl de behandelaar van betrokkene heeft aangegeven daar vertrouwen in te hebben en geen noodzaak meer te zien voor voortzetting van de crisismaatregel..
4.3
De rechtbank concludeert dan ook dat betrokkene zich niet (meer) verzet tegen de ter afwending van het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel noodzakelijke zorg, zodat niet wordt voldaan aan de hiervoor in 4.1 genoemde wettelijke eisen. Het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Van Dun, rechter en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2024 in tegenwoordigheid van Baremans als griffier, en op 9 februari 2024 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.