Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-08-20
ECLI:NL:RBZWB:2024:9680
Strafrecht
Raadkamer
1,555 tokens
Dictum
[verzoeker]
geboren op [datum] 1972 te [plaats]
wonende te [adres]
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. M.C. Kersemaekers-Schraven, postbus 1878 4801 BW Breda
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 29 april 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 4.053,50, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 220,78, voor vergoeding van parkeer- en reiskosten;
€ 268,85, voor vergoeding van vermogensschade;
€ 340,00, als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de aantekening van het mondelinge vonnis van de kantonrechter van 26 februari 2024 waarbij verzoeker is vrijgesproken;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 6 augustus 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R. Jacobs en mr. M.C. Kersemaekers-Schraven als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De advocaat van verzoeker heeft aangevoerd dat er enkel noodzakelijke werkzaamheden tegen een redelijk uurtarief zijn gedeclareerd. Deze kosten zijn billijk om toe te kennen. Verzoeker heeft in verband met het niet kunnen beschikken over zijn rijbewijs en voor het bijwonen van de zitting reiskosten moeten maken. Ter onderbouwing van de vermogensschade heeft de advocaat van verzoeker een beter leesbare versie van de loonstrook van verzoeker overgelegd. Ten aanzien van de toekenning van de werkzaamheden na de vrijspraak van verzoeker refereert de advocaat van verzoeker zich aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de reiskosten niet voor toewijzing vatbaar zijn aangezien de data van de NS-facturen niet herleidbaar zijn. De gedeclareerde parkeerkosten van 26 februari 2024 impliceren daarnaast dat verzoeker met de auto naar de kantonzitting is gekomen. Na het overleggen van een beter leesbare versie van de loonstrook van verzoeker refereert de officier van justitie zich ten aanzien van de vermogensschade aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook de een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 4.053,50 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
De rechtbank is van oordeel dat de reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting onvoldoende onderbouwd zijn. Hierbij is van belang dat de data op de overgelegde NS-facturen op geen enkele wijze herleidbaar zijn. De rechtbank wijst de vergoeding van de reiskosten dan ook af.
De parkeerkosten zijn in het oordeel van de rechtbank wel in voldoende mate onderbouwd. De rechtbank acht het bedrag van € 3,18 billijk en zal dit bedrag toewijzen.
Verzoeker heeft een bedrag ter hoogte van € 268,85 verzocht voor inkomstenderving. Verzoeker heeft ter onderbouwing hiervan stukken overgelegd. Gelet daarop acht de rechtbank het verzoek voldoende onderbouwd en zal de rechtbank dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 5.005,53, bestaande uit:
- € 4.053,50 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 3,18 aan parkeerkosten;
- € 268,85 aan kosten in verband met inkomstenderving en
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 5.005,53 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Gimbrère International Advocaten, onder vermelding van “20240144 [verzoeker] /OM”.
Deze beslissing is op 20 augustus 2024 genomen door mr. R.J.H. Goossens rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van
20 augustus 2024
De griffier is niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.