Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-10
ECLI:NL:RBZWB:2024:9629
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
6,534 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/425194 / FA RK 24-3551
datum uitspraak: 10 december 2024
beschikking betreffende voogdij
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd te Eindhoven,
en
[de pleegmoeder]
,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.C.H.M. van Beurden te Waalwijk,
betreffende de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Als informanten worden aangemerkt:
[de moeder]
, hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader]
, hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 25 juli 2024 ontvangen verzoek van de GI met bijlagen;
- de op 29 juni 2024 door de pleegmoeder ondertekende bereidheidsverklaring
- het op 20 augustus 2024 van de GI ontvangen uitstelverzoek.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 12 november 2024. Bij die gelegenheid zijn verschenen een vertegenwoordigster van de GI, de pleegmoeder en de moeder. De advocaat van de pleegmoeder was niet aanwezig. De vader van [minderjarige] is uitgenodigd om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn, maar is niet verschenen.
1.3
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1
[minderjarige] is op [geboortedag 1] 2013 uit de moeder geboren.
2.2
[minderjarige] woont sinds de zomer van 2015 bij de pleegmoeder.
2.3
Bij beschikking van 18 december 2018 heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en heeft zij Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Roosendaal , benoemd tot voogdes over [minderjarige] .
2.4
Bij beschikking van 17 december 2020 is de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Roosendaal , ontslagen van de voogdij over [minderjarige] en is [jeugdbescherming], [locatie], benoemd tot voogdes over [minderjarige] .
2.5
Bij beschikking van 31 augustus 2021 is [jeugdbescherming], [locatie], ontslagen van de voogdij over [minderjarige] en is de GI (stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering) benoemd tot voogdes over [minderjarige] .
3Het verzoek
3.1
De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, haar te ontslaan van de voogdij over [minderjarige] ten gunste van de pleegmoeder.
4De standpunten
4.1
De GI baseert het verzoek op het volgende. Volgens de GI is het in het belang van [minderjarige] dat zijn pleegmoeder de voogdij over hem gaat uitoefenen. [minderjarige] ontwikkelt zich positief bij de pleegmoeder. De school en de pleegmoeder zien dat [minderjarige] moeite heeft met rekenen, begrijpend lezen en spelling. [minderjarige] krijgt hiervoor extra ondersteuning. [minderjarige] is op verzoek van de pleegmoeder door de GI aangemeld bij [organisatie] voor een persoonlijkheidsonderzoek. Hierdoor kan er zicht verkregen worden op het kennen en kunnen van [minderjarige] en kan voorkomen worden dat hij overvraagd wordt. Ook de school kan hierdoor beter aansluiten bij zijn behoeften. Volgens de GI komt een voogdijoverdracht naar de pleegmoeder ten goede aan de algehele ontwikkeling van [minderjarige] . De GI heeft gezien dat de pleegmoeder al het mogelijke doet om [minderjarige] te voorzien in hetgeen hij nodig heeft. [minderjarige] heeft al veel wisselingen in jeugdbeschermers meegemaakt. Hij heeft een goede band opgebouwd met de vorige jeugdbeschermer. Zij blijft als vertrouwenspersoon verbonden aan [minderjarige] . Ook is inmiddels de omgangsregeling met de vader zo aangepast, dat [minderjarige] op zaterdag steeds naar de scouting kan blijven gaan. De GI heeft zich in het afgelopen jaar bewust op de achtergrond gehouden. De pleegmoeder heeft de zorg en de planning voor [minderjarige] , waaronder de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en zowel zijn vader als zijn moeder, in dat jaar al zelf geregeld. De GI vraagt om het verzoek toe te wijzen vanaf 1 februari 2025. De GI wil de periode tot die datum gebruiken om een nieuw plan voor [minderjarige] op te stellen en om de onderlinge afspraken in een borgingsplan op te nemen.
4.2
De pleegmoeder heeft zich bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. Al jaren zorgt zij zelf voor [minderjarige] . De betrokkenheid van de GI was nog slechts een formaliteit. De wisselingen in jeugdbeschermers zorgde steeds voor onrust. De vorige jeugdbeschermer heeft rust gebracht in het systeem. De pleegmoeder deelt net als de moeder de zorg over wat er met [minderjarige] gaat gebeuren in het geval dat haar iets overkomt. De pleegmoeder vindt het net als de GI belangrijk dat de afspraken op papier worden gezet. Op dit moment verwateren de afspraken wel eens en dan moet de vader weer “bij de tijd” worden gezet. De pleegmoeder kan zich dan ook vinden in het voorstel van de GI om de voogdij pas op 1 februari 2025 in te laten gaan zodat er tijd is om een borgingsplan op te stellen.
4.3
De moeder heeft grote moeite gehad met het verzoek van de GI. Die weerstand komt voort uit het verleden. Volgens de moeder is de uithuisplaatsing van [minderjarige] destijds niet eerlijk gegaan. De moeder heeft hierdoor altijd een groot wantrouwen gehad richting de pleegmoeder en de vader van [minderjarige] . Zij kunnen er voor zorgen dat de moeder [minderjarige] niet meer ziet. De moeder ziet evenwel ook dat [minderjarige] graag wil dat de pleegmoeder de beslissingen over hem gaat nemen. De moeder zal de wens van [minderjarige] voorop stellen en zij verzet zich daarom niet tegen het verzoek van de GI. De moeder maakt zich wel zorgen over wat er met en rondom [minderjarige] gaat gebeuren als de pleegmoeder iets zou overkomen. Zij is bang dat ze er dan niet uitkomt met de vader van [minderjarige] . De moeder kan zich vinden in het voorstel van de GI om de voogdij pas op 1 februari 2025 in te laten gaan zodat er een borgingsplan opgesteld kan worden met daarin alle belangrijke afspraken.
Beoordeling
5.1
Ingevolge artikel 1:322 lid 1 sub c BW kan iedere voogd zich van zijn bediening doen ontslaan indien een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk bereid heeft verklaard de voogdij over te nemen en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarige acht.
5.3
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. [minderjarige] woont sinds de zomer van 2015 bij de pleegmoeder. [minderjarige] ontwikkelt zich positief bij de pleegmoeder, al heeft hij nog wat moeite op school. Hiervoor krijgt [minderjarige] extra ondersteuning. Ook zal er bij [minderjarige] nog een persoonlijkheidsonderzoek afgenomen worden, waardoor er zicht zal komen op wat hij nog nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. [minderjarige] heeft sinds de plaatsing bij de pleegmoeder veel wisselingen in jeugdbeschermers moeten doormaken. Hierdoor is het voor hem lastig om steeds opnieuw een vertrouwensrelatie op te moeten bouwen met de jeugdbeschermer die bij hem betrokken is. De huidige jeugdbeschermer heeft zich om deze reden bewust op de achtergrond gehouden en heeft de regie over [minderjarige] , zoveel als mogelijk, aan de pleegmoeder overgelaten. Gebleken is dat de pleegmoeder dit goed heeft opgepakt en dat dit niet heeft geleid tot onderlinge spanningen tussen haar en de vader en moeder van [minderjarige] . Er is rust gekomen in het systeem waarvan [minderjarige] deel uitmaakt. De pleegmoeder heeft als hoofdverzorgende goed zicht op [minderjarige] en wat hij voor zijn ontwikkeling nodig heeft. Zij wordt in staat geacht om voor [minderjarige] belangrijke beslissingen te kunnen nemen, waarbij zij zijn belang voorop stelt. De rechtbank acht toewijzing van het verzoek van de GI daarom in het belang van [minderjarige] , met dien verstande dat het ontslag van de GI als voogdes pas per 1 februari 2025 zal plaatsvinden. Het is voor [minderjarige] van groot belang dat de afspraken over hem duidelijk zijn en dat er geen ruis ontstaat tussen de pleegmoeder en de ouders. De GI moet in de komende periode nog de gelegenheid krijgen om een borgingsplan voor [minderjarige] te schrijven en om de onderlinge afspraken duidelijk op papier te zetten.
5.4.
De rechtbank merkt nog het volgende op. De moeder verdient een groot compliment, nu zij haar eigen bezwaren, ingegeven door ervaringen uit het verleden, opzij heeft gezet en in het belang van [minderjarige] heeft ingestemd met het verzoek van de GI. Van de vader verwacht de rechtbank dat hij in de komende tijd aanhaakt bij het traject dat de GI nog voor ogen staat – te weten het opmaken van een borgingsplan voor de overdracht van de voogdijk – en dat hij daaraan meewerkt.
5.5.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
Dictum
De rechtbank
6.1
ontslaat Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering met ingang van 1 februari 2025 van de voogdij over de [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ;
6.2
benoemt [de pleegmoeder], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1960, met ingang van 1 februari 2025 tot voogdes over voornoemde minderjarige [minderjarige] ;
6.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2024 door mr. Bollen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Joosen, als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 12 december 2024.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/425194 / FA RK 24-3551
datum uitspraak: 10 december 2024
beschikking betreffende voogdij
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd te Eindhoven,
en
[de pleegmoeder]
,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.C.H.M. van Beurden te Waalwijk,
betreffende de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Als informanten worden aangemerkt:
[de moeder]
, hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader]
, hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 25 juli 2024 ontvangen verzoek van de GI met bijlagen;
- de op 29 juni 2024 door de pleegmoeder ondertekende bereidheidsverklaring
- het op 20 augustus 2024 van de GI ontvangen uitstelverzoek.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 12 november 2024. Bij die gelegenheid zijn verschenen een vertegenwoordigster van de GI, de pleegmoeder en de moeder. De advocaat van de pleegmoeder was niet aanwezig. De vader van [minderjarige] is uitgenodigd om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn, maar is niet verschenen.
1.3
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1
[minderjarige] is op [geboortedag 1] 2013 uit de moeder geboren.
2.2
[minderjarige] woont sinds de zomer van 2015 bij de pleegmoeder.
2.3
Bij beschikking van 18 december 2018 heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en heeft zij Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Roosendaal , benoemd tot voogdes over [minderjarige] .
2.4
Bij beschikking van 17 december 2020 is de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Roosendaal , ontslagen van de voogdij over [minderjarige] en is [jeugdbescherming], [locatie], benoemd tot voogdes over [minderjarige] .
2.5
Bij beschikking van 31 augustus 2021 is [jeugdbescherming], [locatie], ontslagen van de voogdij over [minderjarige] en is de GI (stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering) benoemd tot voogdes over [minderjarige] .
3Het verzoek
3.1
De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, haar te ontslaan van de voogdij over [minderjarige] ten gunste van de pleegmoeder.
4De standpunten
4.1
De GI baseert het verzoek op het volgende. Volgens de GI is het in het belang van [minderjarige] dat zijn pleegmoeder de voogdij over hem gaat uitoefenen. [minderjarige] ontwikkelt zich positief bij de pleegmoeder. De school en de pleegmoeder zien dat [minderjarige] moeite heeft met rekenen, begrijpend lezen en spelling. [minderjarige] krijgt hiervoor extra ondersteuning. [minderjarige] is op verzoek van de pleegmoeder door de GI aangemeld bij [organisatie] voor een persoonlijkheidsonderzoek. Hierdoor kan er zicht verkregen worden op het kennen en kunnen van [minderjarige] en kan voorkomen worden dat hij overvraagd wordt. Ook de school kan hierdoor beter aansluiten bij zijn behoeften. Volgens de GI komt een voogdijoverdracht naar de pleegmoeder ten goede aan de algehele ontwikkeling van [minderjarige] . De GI heeft gezien dat de pleegmoeder al het mogelijke doet om [minderjarige] te voorzien in hetgeen hij nodig heeft. [minderjarige] heeft al veel wisselingen in jeugdbeschermers meegemaakt. Hij heeft een goede band opgebouwd met de vorige jeugdbeschermer. Zij blijft als vertrouwenspersoon verbonden aan [minderjarige] . Ook is inmiddels de omgangsregeling met de vader zo aangepast, dat [minderjarige] op zaterdag steeds naar de scouting kan blijven gaan. De GI heeft zich in het afgelopen jaar bewust op de achtergrond gehouden. De pleegmoeder heeft de zorg en de planning voor [minderjarige] , waaronder de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en zowel zijn vader als zijn moeder, in dat jaar al zelf geregeld. De GI vraagt om het verzoek toe te wijzen vanaf 1 februari 2025. De GI wil de periode tot die datum gebruiken om een nieuw plan voor [minderjarige] op te stellen en om de onderlinge afspraken in een borgingsplan op te nemen.
4.2
De pleegmoeder heeft zich bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. Al jaren zorgt zij zelf voor [minderjarige] . De betrokkenheid van de GI was nog slechts een formaliteit. De wisselingen in jeugdbeschermers zorgde steeds voor onrust. De vorige jeugdbeschermer heeft rust gebracht in het systeem. De pleegmoeder deelt net als de moeder de zorg over wat er met [minderjarige] gaat gebeuren in het geval dat haar iets overkomt. De pleegmoeder vindt het net als de GI belangrijk dat de afspraken op papier worden gezet. Op dit moment verwateren de afspraken wel eens en dan moet de vader weer “bij de tijd” worden gezet. De pleegmoeder kan zich dan ook vinden in het voorstel van de GI om de voogdij pas op 1 februari 2025 in te laten gaan zodat er tijd is om een borgingsplan op te stellen.
4.3
De moeder heeft grote moeite gehad met het verzoek van de GI. Die weerstand komt voort uit het verleden. Volgens de moeder is de uithuisplaatsing van [minderjarige] destijds niet eerlijk gegaan. De moeder heeft hierdoor altijd een groot wantrouwen gehad richting de pleegmoeder en de vader van [minderjarige] . Zij kunnen er voor zorgen dat de moeder [minderjarige] niet meer ziet. De moeder ziet evenwel ook dat [minderjarige] graag wil dat de pleegmoeder de beslissingen over hem gaat nemen. De moeder zal de wens van [minderjarige] voorop stellen en zij verzet zich daarom niet tegen het verzoek van de GI. De moeder maakt zich wel zorgen over wat er met en rondom [minderjarige] gaat gebeuren als de pleegmoeder iets zou overkomen. Zij is bang dat ze er dan niet uitkomt met de vader van [minderjarige] . De moeder kan zich vinden in het voorstel van de GI om de voogdij pas op 1 februari 2025 in te laten gaan zodat er een borgingsplan opgesteld kan worden met daarin alle belangrijke afspraken.
Beoordeling
5.1
Ingevolge artikel 1:322 lid 1 sub c BW kan iedere voogd zich van zijn bediening doen ontslaan indien een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk bereid heeft verklaard de voogdij over te nemen en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarige acht.
5.3
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. [minderjarige] woont sinds de zomer van 2015 bij de pleegmoeder. [minderjarige] ontwikkelt zich positief bij de pleegmoeder, al heeft hij nog wat moeite op school. Hiervoor krijgt [minderjarige] extra ondersteuning. Ook zal er bij [minderjarige] nog een persoonlijkheidsonderzoek afgenomen worden, waardoor er zicht zal komen op wat hij nog nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. [minderjarige] heeft sinds de plaatsing bij de pleegmoeder veel wisselingen in jeugdbeschermers moeten doormaken. Hierdoor is het voor hem lastig om steeds opnieuw een vertrouwensrelatie op te moeten bouwen met de jeugdbeschermer die bij hem betrokken is. De huidige jeugdbeschermer heeft zich om deze reden bewust op de achtergrond gehouden en heeft de regie over [minderjarige] , zoveel als mogelijk, aan de pleegmoeder overgelaten. Gebleken is dat de pleegmoeder dit goed heeft opgepakt en dat dit niet heeft geleid tot onderlinge spanningen tussen haar en de vader en moeder van [minderjarige] . Er is rust gekomen in het systeem waarvan [minderjarige] deel uitmaakt. De pleegmoeder heeft als hoofdverzorgende goed zicht op [minderjarige] en wat hij voor zijn ontwikkeling nodig heeft. Zij wordt in staat geacht om voor [minderjarige] belangrijke beslissingen te kunnen nemen, waarbij zij zijn belang voorop stelt. De rechtbank acht toewijzing van het verzoek van de GI daarom in het belang van [minderjarige] , met dien verstande dat het ontslag van de GI als voogdes pas per 1 februari 2025 zal plaatsvinden. Het is voor [minderjarige] van groot belang dat de afspraken over hem duidelijk zijn en dat er geen ruis ontstaat tussen de pleegmoeder en de ouders. De GI moet in de komende periode nog de gelegenheid krijgen om een borgingsplan voor [minderjarige] te schrijven en om de onderlinge afspraken duidelijk op papier te zetten.
5.4.
De rechtbank merkt nog het volgende op. De moeder verdient een groot compliment, nu zij haar eigen bezwaren, ingegeven door ervaringen uit het verleden, opzij heeft gezet en in het belang van [minderjarige] heeft ingestemd met het verzoek van de GI. Van de vader verwacht de rechtbank dat hij in de komende tijd aanhaakt bij het traject dat de GI nog voor ogen staat – te weten het opmaken van een borgingsplan voor de overdracht van de voogdijk – en dat hij daaraan meewerkt.
5.5.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
Dictum
De rechtbank
6.1
ontslaat Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering met ingang van 1 februari 2025 van de voogdij over de [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ;
6.2
benoemt [de pleegmoeder], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1960, met ingang van 1 februari 2025 tot voogdes over voornoemde minderjarige [minderjarige] ;
6.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2024 door mr. Bollen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Joosen, als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 12 december 2024.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.