Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-08
ECLI:NL:RBZWB:2024:9611
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,410 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/401802 / FA RK 22-4317
datum uitspraak: 8 oktober 2024
eindbeschikking betreffende informele rechtsingang
in de zaak van
[kind]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2006,wonende te [woonadres] , hierna te noemen: [kind] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- [de moeder], hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats] , advocaat: voorheen, mr. M. de Houck, thans mr. I. de Dobbelaere-Woets te [woonplaats] ;
- [de vader], hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. F.J.I. van den Branden te [woonplaats] ;
- mr. [de bijzondere curator], advocaat te [plaats] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator over voornoemde minderjarige [kind] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het verdere procesverloop
1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank van 30 mei 2023 en alle daarin genoemde stukken;
- de op 19 juni 2024 ontvangen rapportage van KisZ, met als bijlage de afsluitende rapportage van [zorgaanbieder] van 28 maart 2024;
- het op 12 augustus 2024 door mr. Van den Branden ingediende F4-formulier;
- het op 13 augustus 2024 door mr. De Dobbelaere-Woets ingediende F4-formulier;
- het op 21 augustus 2024 door mr. De Dobbelaere-Woets ingediende F9-formulier;
- het op 21 augustus 2024 door mr. Van den Branden ingediende F9-formulier.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 30 mei 2023 heeft de rechtbank de ouders en de (toen nog) minderjarige [kind] verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland voor een (jeugd)hulptraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) ten behoeve van de navolgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund Het loket zal ouders en kind(eren) vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
De rechtbank heeft aan het loket in overweging meegegeven om ook het jongere broertje van [kind] , genaamd [broertje] , geboren op [geboortedag 2] 2010 te [geboorteplaats] , te betrekken in het hulpverleningstraject.
2.2.
De rechtbank heeft het loket verzocht om uiterlijk 27 februari 2024 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen. Voor het geval de hulp niet zou starten of niet zou leiden tot een positief resultaat én de Raad een onderzoek noodzakelijk zou vinden, heeft de rechtbank de Raad verzocht om een onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de in overweging 2.11 van de beschikking van 30 mei 2023 genoemde vragen.
2.3.
Omdat ouders en hun kinderen in de gelegenheid zijn gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject heeft de rechtbank toen nog niet op de vraag van [kind] tot het nemen van een ambtshalve beslissing over een wijziging van zijn hoofdverblijf en de zorgregeling beslist, maar die beslissing voor de duur van negen maanden aangehouden. De rechtbank is er daarnaast vanuit gegaan dat partijen in de tussenliggende periode uitvoering zullen geven aan de voorlopige afspraken ten aanzien van de zorgregeling zoals weergegeven onder overweging 2.2 van de beschikking van 30 mei 2023, waarbij [kind] in de weken dat hij niet vaart in ieder geval een week bij zijn moeder zal verblijven, van zondagavond tot en met vrijdag.
2.4.
De rechtbank heeft op 19 juni 2024 de afsluitende rapportages van Kind in scheiding Zeeland (KisZ) en de [zorgaanbieder] ontvangen. Uit deze rapportages blijkt dat het hulpverleningstraject positief is afgerond met het behalen van de door de rechtbank gestelde doelen. Gedurende het hulpverleningstraject zijn de ouders tot financiële afspraken gekomen, welke ook voor de kinderen rust hebben gecreëerd. Ten aanzien van de zorgregeling is afgesproken dat [broertje] minimaal één weekend per maand naar zijn moeder toe zal gaan, welk contact op vraag van de moeder kan worden uitgebreid wanneer [broertje] hierin ruimte voelt om naar zijn moeder te gaan. De vader zal positief anticiperen op zo’n vraag van de moeder en blijven herhalen dat [broertje] naar zijn moeder kan en mag (en moet). De ouders zullen daarnaast hun vakantiewensen over en weer aan elkaar doorgeven, zodat eventuele vakantieplannen met [broertje] over en weer kunnen doorgaan. Ten aanzien van [kind] geldt dat hij inmiddels meerderjarig is en dat er sinds het einde van het traject (maart 2024) weer voorzichtig app-contact is tussen hem en zijn moeder.
2.5.
Bij F9-formulier van 21 augustus 2024 van mr. De Dobbelaere-Woets is namens de moeder gereageerd op de rapportages van KisZ en [zorgaanbieder] . Zij heeft geen opmerkingen ten aanzien van de inhoud van die rapportages en voert geen verweer tegen de verzoeken van [kind] . De moeder heeft verder geen behoefte aan een nadere mondelinge behandeling.
2.6.
Bij F9-formulier van 21 augustus 2024 van mr. Van den Branden is namens de vader aangegeven dat ook hij geen op- en aanmerkingen heeft op de rapportages van KisZ en [zorgaanbieder] . Hij voert geen verweer tegen de verzoeken van [kind] , met dien verstande dat er geen belang meer bestaat bij het verzoek ten aanzien van de zorgregeling gelet op het feit dat [kind] inmiddels de meerderjarige leeftijd heeft bereikt. De vader heeft geen behoefte meer aan een mondelinge behandeling en wat hem betreft kan de procedure schriftelijk worden afgewikkeld.
2.7.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.8.
Nu [kind] inmiddels meerderjarig is, heeft hij geen belang meer bij een ambtshalve beslissing van de rechtbank over een wijziging van zijn hoofdverblijf en de zorgregeling. De rechtbank zal dan ook geen ambtshalve beslissing meer nemen ten aanzien van (een wijziging van) het hoofdverblijf van [kind] en de zorgregeling en de verzoeken van [kind] dan ook afwijzen. Voor zover de ouders in het kader van het hulpverleningstraject afspraken hebben gemaakt over [broertje] , het jongere broertje van [kind] , overweegt de rechtbank dat ten aanzien van [broertje] geen verzoeken voorliggen, zodat de rechtbank daarover geen beslissing kan nemen. Dit neemt niet weg dat de afspraken die de ouders ten aanzien van [broertje] hebben gemaakt wel als zodanig tussen hen gelden en door hen moeten worden nagekomen.
2.9.
De taak van de bijzondere curator kan gelet op het voorgaande – in eerste aanleg – als voltooid worden beschouwd. Desondanks hoopt de rechtbank dat de bijzondere curator de beslissing en motivering daarvan met [kind] zal bespreken en zo nodig zal uitleggen.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier mr. Lavrijssen.
Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:
a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
b. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
d. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden.
Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.