Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-13
ECLI:NL:RBZWB:2024:9549
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,059 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
zaaknummer : 10984918 \ MB VERZ 24-185
CJIB-nummer : 1062 5422 5538 2806
uitspraakdatum : 13 december 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Gemachtigde heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 13 december 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene en gemachtigde zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: binnen een erf parkeren anders dan op een daarvoor bestemde parkeerplaats op het [adres] te [woonplaats] op 21 januari 2023 om 15:34 uur.
Gemachtigde heeft namens betrokkene in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene stelt met zijn vrouw naar het ziekenhuis te zijn geweest. Toen zij terug thuis kwamen hielp betrokkene zijn vrouw naar boven, want zij was zeer moeilijk ter been. Normaliter zet betrokkene daar nooit zijn auto. Hij had de auto zo ver mogelijk aan de kant gezet, zodat iedereen er langs kon. Ook had betrokkene expres de poort opengelaten, om zo voor iedereen duidelijk te maken dat zij daar konden aanbellen of informeren waarom de auto daar even stond. Gemachtigde stelt dat er sprake was van een overmachtssituatie en dat er geen sprake was van parkeren. De verbalisant heeft niks over een pardontijd verklaard, waardoor het niet is vast te stellen hoelang de verbalisant heeft gewacht bij het voertuig en hoelang de gedraging heeft plaatsgevonden. Voorts verzoekt gemachtigde om een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De zaak is eerder ter zitting aangehouden om betrokkene nog één maal in de gelegenheid te stellen om de ziekenhuisbezoeken te documenteren en de reden toe te lichten wat de noodzaak was waarom betrokkene het voertuig op de betreffende manier had geparkeerd. Tot op heden zijn er geen aanvullende stukken binnen gekomen waarin de situatie, die betrokkene schetst, wordt onderbouwd. Hierdoor stelt de zittingsvertegenwoordiger dat betrokkene de omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen. De kantonrechter stelt vast dat betrokkene gelegenheid heeft gekregen om zijn beroepsgronden verder te documenteren, maar heeft dit nagelaten. De kantonrechter is van oordeel dat de omstandigheden die tot een matiging konden leiden niet vast zijn komen te staan.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Gelet hierop is er geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
Dictum
De kantonrechter verklaart:
- het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2024.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: