Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-23
ECLI:NL:RBZWB:2024:9469
Strafrecht
Raadkamer
2,601 tokens
Dictum
in de zaak:
[veroordeelde]
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. M.H.H. Meulemeesters, Utrechtseweg 75, 3702 AA Zeist
hierna te noemen: veroordeelde
Procesverloop
Op 9 april 2024 heeft het onderzoek door de besloten raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. C.P.G. Tax, en mr. M.H.H. Meulemeesters, de advocaat van veroordeelde gehoord.
Veroordeelde is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het bezwaarschrift verschenen.
Namens veroordeelde is aangevoerd dat hij op 26 september 2023 door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is veroordeeld voor schuldwitwassen, veroordeelde heeft zich daaraan schuldig gemaakt door geldbedragen op zijn rekening te ontvangen. Nu het bij dit soort feiten alleen om digitale sporen gaat zal DNA-onderzoek voor de opheldering van dit soort feiten geen rol spelen. Daarom is er sprake van een uitzondering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA. Daarbij is ook van belang dat het strafblad van veroordeelde geen aanleiding geeft om recidive gevaar aan te nemen en dat de feiten ten aanzien van het schuldwitwassen in 2017 en 2018 plaatsvonden. Veroordeelde maakt daarom bezwaar tegen het opnemen van zijn DNA-profiel in de databank. In raadkamer heeft de advocaat zich verder op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 8 EVRM de schending van de privacy van veroordeelde gelet op het strafvorderlijk belang disproportioneel is.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er bij het plegen van dit soort delicten apparatuur en gegevensdragers worden gebruikt. Op deze apparatuur en gegevensdragers kunnen DNA sporen achterblijven waarmee vastgesteld kan worden wie de gebruiker is, waardoor er geen sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA.
Beoordeling
Bij uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 26 september 2023 is veroordeelde ter zake van, kort gezegd, schuldwitwassen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Na het bevel tot afname van celmateriaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde van 10 oktober 2023 heeft veroordeelde op 8 december 2023 celmateriaal afgestaan.
Op basis van de door veroordeelde gevoerde verweren dan wel een ambtshalve beoordeling door de rechtbank, komt de rechtbank tot de volgende overwegingen.
Het bezwaarschrift is tijdig en op de juiste wijze ingediend. Veroordeelde kan derhalve in het bezwaarschrift worden ontvangen.
Aan de vereisten die de wet stelt ten aanzien van de afname van celmateriaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel is voldaan, aangezien:
voornoemde veroordeling een feit betreft dat is omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv); en
niet is gebleken dat van veroordeelde al een DNA-profiel is verwerkt als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten.
Veroordeelde is veroordeeld voor schuldwitwassen. De rechtbank stelt vast dat veroordeelde zich hieraan schuldig heeft gemaakt door geldbedragen op zijn (digitale) rekening te ontvangen. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat DNA-sporen wel degelijk een bijdrage kunnen leveren aan de opsporing, vervolging en berechting ook van dit soort strafbare feiten. DNA onderzoek aan materiaal op hierbij gebruikte apparaten kan informatie omtrent de gebruiker daarvan kan opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van deze uitzonderingsgrond.
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens een misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat, hoewel in de Wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was moet betrekken. Of, en in welke mate, bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
Gelet op het systeem van de wet dient er terughoudend te worden omgegaan met het aannemen van een uitzonderingssituatie. Het enkele gegeven dat de feiten van de veroordeling uit 2017 en 2018 dateren en er nadien geen veroordelingen meer zijn gevolgd vormen in het oordeel van de rechtbank geen grond voor het aannemen van een uitzonderingssituatie.
Over het door veroordeelde aangevoerde bezwaar dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel in strijd is met artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) overweegt de rechtbank als volgt.
De afname van DNA-materiaal kan worden beschouwd als een inmenging van het openbaar gezag in de uitoefening van het recht op ‘private life’. Deze inmenging is toelaatbaar. Artikel 8 van het EVRM laat inbreuken op de persoonlijke levenssfeer toe, mits deze bij wet zijn voorzien, een legitiem doel dienen en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, en in het belang zijn voor onder meer het voorkomen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De Wet voldoet aan deze gestelde eisen (vgl. Hoge Raad 3 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9187). Allereerst is de inmenging in de persoonlijke levenssfeer door het afnemen van wangslijm betrekkelijk gering. De beperking is bovendien voorzien in de Wet. Volgens de considerans is het doel van de Wet om bij te dragen aan de voorkoming, de opsporing, de vervolging en de berechting van strafbare feiten. Artikel 2, vijfde lid, van de Wet bepaalt dat DNA-profielen slechts voor dit doel worden verwerkt. Het met dit doel bijhouden van data die betrekking hebben op strafzaken uit het verleden is in een democratische samenleving noodzakelijk ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. De Wet beoogt slechts een beperkt gebruik van de verwerkte DNA-profielen. Uit het bepaalde in artikel 1 van de Wet volgt dat het in deze wet bedoelde onderzoek slechts is gericht op het vergelijken van DNA-profielen en derhalve slechts dient ter identificatie. Daarbij zijn voldoende waarborgen geschapen om misbruik te voorkomen: de databank bevat alleen profielen die voorzien zijn van een identiteitsnummer en niet van namen. Degenen die toegang hebben tot de databank weten niet van wie de opgeslagen profielen zijn. De DNA-profielen blijven een beperkte tijd (20 tot 30 jaar) bewaard. De Wet kent weliswaar geen rechterlijke toetsing voorafgaand aan de afname, maar wel een bezwaarschriftenprocedure achteraf. Het DNA-materiaal wordt op grond van het bepaalde in artikel 7 van de Wet terstond vernietigd als het bezwaar gegrond wordt verklaard. Het EHRM heeft in haar uitspraak van 7 december 2006, ECLI:NL:XX:2006:BA0291, in de zaak Van der Velden vs. Nederland geoordeeld dat het, gelet op de in artikel 8, tweede lid, van het EVRM geformuleerde doelen, gerechtvaardigd is een plicht in het leven te roepen voor personen die zijn veroordeeld voor strafbare feiten van een zekere ernst (‘offences of a certain seriousness’) om zich aan DNA-onderzoek te onderwerpen.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat ook geen sprake is van een uitzonderingssituatie op grond van artikel 8 EVRM en moet het bezwaar ongegrond worden verklaard.
Dictum
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is op 23 april 2024 gegeven door mr. A.L. Hoekstra, rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.