Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-18
ECLI:NL:RBZWB:2024:9057
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,380 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11141675 \ CV EXPL 24-2004 & 11193003 \ CV EXPL 24-2342
Vonnis van 18 december 2024
in de zaak onder zaaknummer 11141675 \ CV EXPL 24-2004 van
de stichting met volledige rechtsbevoegdheid STICHTING ALWEL,
gevestigd en kantoorhoudende te Roosendaal,
eisende partij,
gemachtigde: L. Barghout, juridisch adviseur bij Alwel,
tegen
[bewindvoerder] B.V, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [huurder 1],
gevestigd en kantoorhoudende te [adres 1] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens, advocaat te Roosendaal,
en in de zaak onder zaaknummer 11193003 \ CV EXPL 24-2342 van
de stichting met volledige rechtsbevoegdheid STICHTING ALWEL,
gevestigd en kantoorhoudende te Roosendaal,
eisende partij,
gemachtigde: L. Barghout, juridisch adviseur bij Alwel,
tegen
[bewindvoerder] B.V, in haar hoedanigheid van curator over [huurder 2],
gevestigd en kantoorhoudende te [adres 1] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens, advocaat te Roosendaal.
Partijen worden hierna aangeduid als “Alwel”, “de wettelijk vertegenwoordiger”, “ [huurder 1] ” en “ [huurder 2] ”.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenvonnissen van 18 september 2024 in beide zaken met de daarin genoemde stukken;
- de brief van Alwel van 4 november 2024 met aanvullende producties;
- de mondelinge behandeling van 21 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De zaken in het kort
Alwel vraagt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde (met nevenvorderingen) wegens ernstige en langdurige overlast van [huurder 1] en [huurder 2] voor de buren en andere omwonenden. De wettelijk vertegenwoordiger van [huurder 1] en [huurder 2] voert aan dat met name [huurder 2] verantwoordelijk is voor de overlast en dat [huurder 1] daar medeslachtoffer van is en bovendien door haar wordt beïnvloed. Zij vraagt [huurder 1] anders te wegen dan [huurder 2] en hem een laatste kans te bieden. Mocht daar niet toe worden overgegaan, vraagt de wettelijk vertegenwoordiger het vonnis niet uitvoerbaar te verklaren of de ontruimingstermijn te verlengen. De kantonrechter ziet, gelet op de hoeveelheid klachten, de lange periode dat al sprake is van overlast, de ernst van de overlast en de hoeveelheid waarschuwingen die Alwel heeft verzonden en oplossingen die Alwel heeft geboden, aanleiding de huurovereenkomst te ontbinden. [huurder 1] wordt geen laatste kans geboden, gelet op de ernst van de klachten, het feit dat hij deze mede veroorzaakt en er geen vertrouwen is dat hij zich onttrekt van [huurder 2] als zij wel moet ontruimen. In het verleden is immers al gebleken dat [huurder 1] zich niet kan onttrekken van [huurder 2] . Ook wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nu de belangen van Alwel en omwonenden (ook huurders van Alwel) dienen te prevaleren. De kantonrechter ziet wel aanleiding de ontruimingstermijn te bepalen op drie maanden na betekening van het vonnis om de wettelijk vertegenwoordiger van [huurder 1] en [huurder 2] in de gelegenheid te stellen opvang hen te regelen.
Geschil
3.1.
Alwel vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en de wettelijk vertegenwoordiger in haar hoedanigheid te veroordelen de woning, staande en gelegen te [adres 2] (verder: het gehuurde), te ontruimen, alsmede om de wettelijk vertegenwoordiger te veroordelen tot betaling van de huur, gebruiksvergoeding, de wettelijke rente daarover en de proceskosten. Alwel stelt dat vanaf één maand nadat [huurder 1] en [huurder 2] op 6 maart 2020 in het gehuurde gingen wonen er sprake is van periodes, waarin een grote hoeveelheid overlastklachten worden ontvangen van directe buren en andere omwonenden. De overlast ziet op geruzie, schreeuwen, (huiselijk) geweld, gooien met spullen, slapen in de berging en ernstige vervuiling van het gehuurde en komt zowel overdag als ’s nachts voor. Daarnaast laten [huurder 1] en [huurder 2] derden inwonen. Alwel heeft [huurder 1] en [huurder 2] diverse malen aangeschreven, huisbezoeken afgelegd, een zorgconferentie gehouden en een gedragsaanwijzing gegeven. Ook heeft de politie regelmatig het gehuurde bezocht wegens de overlast en het verblijf van derden in het gehuurde en zijn het interventieteam en Veilig Thuis betrokken geraakt bij [huurder 1] en [huurder 2] wegens het huiselijk geweld. Dit heeft er tot op heden niet toe geleid dat de overlast (duurzaam) is afgenomen. De overlast is inmiddels dermate ernstig dat omwonenden uit hun slaap worden gehouden en één van de buren is verhuisd. [huurder 1] en [huurder 2] komen ernstig tekort in de nakoming van de huurovereenkomst, zodat het gerechtvaardigd is de huurovereenkomst te ontbinden en de ontruiming van het gehuurde (en nevenvorderingen) toe te wijzen. Op het verweer van de wettelijk vertegenwoordiger voert Alwel aan dat [huurder 1] ook een rol heeft in de overlast. Er is thans voor [huurder 1] en [huurder 2] geen concreet zicht op zorg en Alwel heeft er geen vertrouwen in dat [huurder 1] zich kan onttrekken van [huurder 2] . Er is al eerder een woningverbod opgelegd door de politie aan [huurder 2] en [huurder 1] liet haar toen ook toe in het gehuurde. Alwel ziet dus geen heil in een laatste kans voor [huurder 1] en wijst op de belangen van omwonenden. De jurisprudentie die ziet op de uitvoerbaar bij voorraad verklaring ziet op een andere situatie dan de situatie in de onderhavige zaak.
3.2.
De wettelijk vertegenwoordiger betwist niet dat er sprake is van de mate van overlast, zoals gesteld door Alwel. Zij voert aan dat [huurder 1] en [huurder 2] met grote (psychische) problemen kampen. Zij worden daarvoor begeleid door de GGZ en andere instanties. Er wordt dus gewerkt aan een plan om [huurder 1] en [huurder 2] uit de problemen te helpen. Het voorstel is dat [huurder 1] via SMO zal worden verwezen naar een doorstroomvoorziening. [huurder 2] zal worden doorverwezen naar het FACT team van de GGZ. Zij wijst erop dat de overlast met name samenhangt met de (psychische) problematiek van [huurder 2] . [huurder 1] is daar ook slachtoffer van. Daarbij wordt hij door haar beïnvloed. Hij zal bovendien, in tegenstelling tot [huurder 2] , niet op korte termijn kunnen worden opgevangen. Dit zou betekenen dat hij op straat komt te staan, waardoor zijn begeleiding en gezondheid in gevaar komen. De wettelijk vertegenwoordiger vraagt dan ook [huurder 1] anders te wegen dan [huurder 2] en hem een laatste kans te bieden, nu hij belang heeft in de woning te kunnen blijven en niet degene is die (de meeste) overlast veroorzaakt. Hij zal na het vertrek van [huurder 2] ook open staan voor begeleiding en kan vanuit de woning worden geholpen. Mocht de kantonrechter daartoe niet willen overgaan, vraagt de wettelijk vertegenwoordiger het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en verwijst daarbij naar jurisprudentie, waarin tevens de uitvoerbaar bij voorraadverklaring is afgewezen. Tot slot vraagt de wettelijk vertegenwoordiger de ontruimingstermijn te bepalen op drie maanden.
3.3.
De kantonrechter overweegt dat de door Alwel gestelde overlast niet is weersproken door de wettelijk vertegenwoordiger. Dit betekent dat de gestelde overlast vaststaat. Uit de producties bij de dagvaarding volgt dat sprake is van ernstige overlast gedurende een groot deel van de huurperiode, bestaande uit geruzie, geschreeuw, geweldsincidenten en het gooien van spullen zowel overdag en ’s nachts. Er is een ruime hoeveelheid klachten van de directe buren en andere omwonenden overgelegd en berichten van de politie overgelegd, waaruit dit volgt. Daarnaast is voldoende onderbouwd met foto’s en berichten van de politie dat sprake is van ernstige vervuiling van het gehuurde en de inwoning van derden in het gehuurde, waaronder veelplegers, zonder toestemming van Alwel. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn dit ernstige tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.4.
Uit artikel 6:265 BW volgt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een overeenkomst de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding niet rechtvaardigt.
3.5.
De ernst en de hoeveelheid van de klachten, met name de geweldsincidenten, leiden ertoe dat de kantonrechter van oordeel is dat de gestelde tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen. De kantonrechter ziet bovendien geen aanleiding [huurder 1] een laatste kans te bieden. [huurder 1] heeft van Alwel en de politie meerdere kansen gekregen zijn gedrag te verbeteren en zich te onttrekken aan (de invloed van) [huurder 2] . Hierin is hij niet geslaagd. Daarbij is ook hij deels verantwoordelijk voor de overlast. Gelet op de belangen van Alwel en de lange periode dat omwonenden (ook huurders van Alwel) overlast ervaren van [huurder 1] en [huurder 2] is het niet redelijk [huurder 1] nog een kans te bieden, waarbij rekening moet worden gehouden dat de kans aanwezig is dat [huurder 2] (op termijn) ook weer naar het gehuurde zal komen. De kantonrechter zal de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst, de ontruiming van het gehuurde en de nevenvorderingen dan ook toewijzen.
3.6.
De wettelijk vertegenwoordiger vraagt vervolgens de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis af te wijzen. Zij wijst erop dat zij Alwel kan verzekeren dat de huur wordt doorbetaald, zodat daarmee het belang van Alwel wordt gediend. Voor [huurder 1] en [huurder 2] is van belang dat zij het gehuurde niet kwijtraken, omdat zij, in ieder geval [huurder 1] , naar verwachting op straat komen te staan bij een gedwongen ontruiming. Daarbij kan een ontruiming over het algemeen niet meer worden teruggedraaid, terwijl [huurder 1] en [huurder 2] er belang bij hebben van dit vonnis in hoger beroep te kunnen gaan. Alwel wijst nogmaals op de ernst van de overlast en de belangen van omwonenden.
3.7.
De kantonrechter overweegt dat uit artikel 233 lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering volgt dat het uitgangspunt is dat een vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, als dit door de eisende partij wordt gevorderd. Nu de wettelijk vertegenwoordiger hiertegen verweer voert, dient een belangenafweging plaats te vinden, waarbij dient te worden gelet op de omstandigheden van het geval.
3.8.
De kantonrechter is van oordeel dat het belang van Alwel zwaarder weegt dan het belang van [huurder 1] en [huurder 2] . Daarbij is van belang dat de omwonenden, wiens huurgenot ook moet worden gewaarborgd voor Alwel, alle lange tijd blootstaan aan ernstige overlast, waardoor er vrees is voor hun veiligheid onder omwonenden en zelfs één van de buren is vertrokken door de overlast. Alwel heeft bovendien onderbouwd dat [huurder 1] en [huurder 2] diverse mogelijkheden hebben gekregen hun gedrag te verbeteren en hulp te krijgen, maar dat zij dit niet hebben aangenomen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
ontbindt met ingang van de dag na heden de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning, staande en gelegen te [adres 2] ,
5.2.
veroordeelt de wettelijk vertegenwoordiger in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger om het gehuurde binnen drie maanden na de betekening van dit vonnis met al de haren en het hare te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Alwel te stellen;
5.3.
veroordeelt de wettelijk vertegenwoordiger in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Alwel te betalen een bedrag van € 557,90 per maand of gedeelte daarvan aan gebruiksvergoeding vanaf de ontbinding van de overeenkomst tot en met de dag van de feitelijke ontruiming van het gehuurde, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van de algehele betaling,
5.4.
veroordeelt de wettelijk vertegenwoordiger in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger in de proceskosten van € 776,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de wettelijk vertegenwoordiger niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rouwen en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024.