Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-02
ECLI:NL:RBZWB:2024:9
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
2,647 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/10958 PW VV en BRE 23/10959 PW
uitspraak van 2 januari 2024 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,
gemachtigde: mr. A. Alaca,
en
het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren, verweerder.
Procesverloop
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 6 november 2023 van Orionis (bestreden besluit) inzake de weigering een uitkering op grond van de Participatiewet toe te kennen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 19 december 2023. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Orionis heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .
Overwegingen
Feiten
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoeker is gedetineerd geweest. Na afloop van zijn detentie was de huisvesting van verzoeker (nog) niet geregeld en is hij gaan wonen bij de heer [naam] . Op 11 april 2023 heeft verzoeker zich gemeld bij Orionis voor een bijstandsuitkering. Op 10 mei 2023 heeft hij een aanvraag gedaan voor een bijstandsuitkering.
Met het besluit van 8 juni 2023 heeft Orionis geweigerd een bijstandsuitkering toe te kennen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Tijdens de bezwaarprocedure is verzoeker niet bijgestaan door een professioneel gemachtigde.
Met het bestreden besluit heeft Orionis, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Standpunt verzoeker
2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding met de hoofdbewoner. Er is geen sprake van wederzijdse zorg. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst verzoeker naar de door de bezwaarcommissie aangehaalde uitspraken.
Standpunt Orionis
3. Orionis heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van wederzijdse zorg en dat er daarom sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Omvang beoordeling
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
Wettelijk kader
5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan onderdeel uit.
Overwegingen
Is er sprake van een spoedeisend belang?
6. Ter zitting is gebleken dat verzoeker, ook als hij de huur niet betaalt, niet uit huis gezet zal worden. In de persoonlijke omstandigheden van verzoeker ziet de voorzieningen-rechter echter toch aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen. Daarbij is onder andere betrokken dat verzoeker van zijn zorgtoeslag van € 141,-- leeft en schulden heeft gemaakt. Vanaf het moment dat hij uit detentie kwam, heeft hij de premie voor zijn zorgverzekering niet meer betaald. Aannemelijk is dat verzoeker hierdoor stress ervaart waardoor ook zijn re-integratie nadelig wordt beïnvloed. Ook is van belang dat verzoeker zonder uitkering weinig tot geen kans heeft om een eigen woning te vinden. Hierdoor dreigt verzoeker in een vicieuze cirkel terecht te komen. Onder deze omstandigheden is er voldoende aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen.
Is er sprake van een gezamenlijke huishouding?
7. Orionis heeft de uitkering van verzoeker geweigerd omdat volgens Orionis er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Verzoeker betwist dat en vindt dat hij recht heeft op een uitkering op grond van de Participatiewet.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en er sprake is van wederzijdse zorg. Niet in geschil is dat verzoeker in dezelfde woning als de heer [naam] zijn hoofdverblijf heeft. Partijen verschillen van mening over de vraag of er sprake is van wederzijdse zorg.
8. Dat er zorg is van de heer [naam] naar verzoeker is duidelijk, dat wordt ook niet betwist. De vraag is of verzoeker ook voor de heer [naam] zorgt.
Verzoeker heeft bij zijn melding verklaard dat hij bij de heer [naam] inwoont en dat hij kostganger is. In een latere verklaring heeft verzoeker gesteld dat hij kookt voor hun beiden en dat hij huishoudelijke taken doet. Tijdens het huisbezoek dat op 30 mei 2023 heeft plaatsgevonden heeft verzoeker verklaard dat de heer [naam] weinig thuis is: hij werkt 6 dagen per week en heeft ook slaapdiensten. Verzoeker heeft gesteld dat hij de heer [naam] bijna niet ziet.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verklaring tijdens het huisbezoek voor Orionis aanleiding had moeten zijn om nader uitvraag te doen naar de woonsituatie. Met name had navraag gedaan moeten worden naar de feitelijke aanwezigheid van de heer [naam] . Hoe minder hij aanwezig is, hoe minder aannemelijk het is dat de taken die verzoeker in huis verricht aangemerkt kunnen worden als zorg voor de heer [naam] .
10. Verzoeker heeft consequent verklaard dat de heer [naam] bijna nooit aanwezig is in de woning. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die maken dat getwijfeld moet worden aan deze consistente verklaringen van verzoeker. De voorzieningenrechter zal er bij de verdere beoordeling dan ook van uitgaan dat de heer [naam] bijna nooit thuis is. Ook ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij wel wat in het huishouden doet, maar dat hij niet de kamer van de heer [naam] schoonmaakt. Dat betekent dat de huishoudelijke taken die verzoeker in de woning verricht, alleen betrekking hebben op de ruimtes waar hij zelf mocht komen. Mede gelet op het feit dat de heer [naam] zeer weinig in de woning aanwezig was, is het verrichten van deze huishoudelijke taken onvoldoende om te oordelen dat er sprake is van zorg van enige omvang of gewicht voor de heer [naam] . Hetzelfde geldt voor het af en toe koken en/of de was doen.
Conclusie
11. Nu er ook anderszins geen sprake is van zorg door verzoeker voor de heer [naam] , heeft Orionios ten onrechte gesteld dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Er zijn geen andere omstandigheden gesteld die maken dat verzoeker geen recht op een uitkering heeft. Orionis had daarom een bijstandsuitkering moeten toekennen. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen. Het is niet de verwachting dat er discussie zal bestaan over de hoogte van de uitkering. De voorzieningenrechter zal daarom zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat verzoeker recht heeft op een bijstandsuitkering naar de voor hem geldende bijstandsnorm.
12. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard en de zaak finaal wordt afgedaan, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Proceskosten en vergoeding griffierecht
13. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, zal Orionis aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht moeten vergoeden. Vanwege de uitkomst van de zaak ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding te bepalen dat Orionis aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.
De voorzieningenrechter zal Orionis veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Vanwege de uitkomst van de zaak heeft die proceskostenveroordeling ook betrekking op het verzoek om voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.511,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,‑ en wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit en bepaalt dat verzoeker recht heeft op een bijstandsuitkering naar de voor hem geldende bijstandsnorm;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
draagt Orionis op het betaalde griffierecht van € 100,-- aan verzoeker te vergoeden;
veroordeelt Orionis in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 2.511,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 2 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Bijlage wettelijk kader
Participatiewet
Artikel 3, tweede lid, onder a
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
Artikel 3, derde lid
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.