Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-15
ECLI:NL:RBZWB:2024:878
Strafrecht
Op tegenspraak
17,328 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02-303243-22
vonnis van de meervoudige kamer van 16 februari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1977 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. A.I. Cambier, advocaat te Axel.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 februari 2024, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn partner en stiefdochters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feiten 1 tot en met 3) en dat verdachte zijn stiefdochters en dochter ( [slachtoffer 3] ) geestelijk heeft mishandeld (feit 4). Verder wordt aan verdachte verweten dat hij 430 gram hennep aanwezig heeft gehad (feit 5) en vier op vuurwapens gelijkende voorwerpen, een ploertendoder en een vuurwapen voorhanden heeft gehad (feiten 6 en 7).
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Ten aanzien van feiten 1 tot en met 3 worden de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] (de moeder van de kinderen) over de gebeurtenissen ondersteund door de foto’s, de camerabeelden en de letselbeschrijvingen. Er bevindt zich dus telkens voldoende steunbewijs in het dossier. [slachtoffer 2] heeft zelf gelet op haar jonge leeftijd niet over alle gebeurtenissen verklaard, maar ook de handelingen die ten aanzien van haar zijn gepleegd kunnen wettig en overtuigend worden bewezen op basis van voornoemde bewijsmiddelen.
Ook feit 4 kan wettig en overtuigend worden bewezen. Op basis van de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] kan worden vastgesteld dat verdachte kleinerende, denigrerende en kwetsende uitlatingen heeft gedaan en tegen [slachtoffer 1] heeft uitgesproken dat zij zelfmoord moet plegen. De uitspraken van verdachte waren daarnaast ook bedreigend van aard. Verdachte deed dit om hun te kwetsen, waaruit het (voorwaardelijk) opzet blijkt. Dit gebeurde stelselmatig. De uitspraken en uitlatingen die verdachte heeft gedaan zijn zeer kwetsend en het kan niet anders dan dat die sporen hebben nagelaten bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Hiermee heeft verdachte hun gezondheid benadeeld. Op basis van het dossier kan niet worden bewezen dat [slachtoffer 3] van deze uitlatingen getuige is geweest, zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken. Dat geldt ook voor het eerste gedachtestreepje, omdat hieruit geen stelselmatigheid blijkt.
Feiten
4.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft verdachte bekend dat hij [slachtoffer 4] heeft vastgepakt bij haar polsen. De overige handelingen ontkent verdachte. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte haar tegen het lichaam getrapt/geschopt of geduwd heeft, hij is op haar terecht gekomen omdat hij door [slachtoffer 1] werd geduwd. Van dat gedeelte van de tenlastelegging moet verdachte daarom worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] op 20 november 2022 heeft vastgepakt bij haar been. Van de overige ten laste gelegde handelingen moet verdachte worden vrijgesproken omdat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs en/of omdat een deel van de handelingen geen pijn of letsel hebben opgeleverd.
Verdachte heeft ten aanzien van feit 3 verklaard dat hij [slachtoffer 1] bij de haren heeft vastgepakt en met de vlakke hand heeft geslagen omdat zij hem besprong. Dat kan wettig en overtuigend worden bewezen. De verklaring van [slachtoffer 1] , dat zij door verdachte drie keer met kracht met de vuist is geslagen, past niet bij het geconstateerde letsel zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Verdachte moet ten aanzien van feit 4 vrijgesproken worden van het eerste gedachtestreepje omdat daaruit geen stelselmatigheid blijkt. Ook moet vrijspraak volgen van gedachtestreepje twee en drie omdat verdachte dit ontkent. Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje kan worden vastgesteld dat verdachte heeft gescholden, maar dit was uit onmacht, mede omdat er over en weer werd gescholden. Het is maar de vraag of de gezondheid van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hierdoor is benadeeld, gelet op hetgeen zij zelf terug zeiden. Verdachte ontkent dat hij hun ook heeft bedreigd. Verder moet de pleegperiode worden ingekort gelet op de verklaring van [slachtoffer 4] dat de gebeurtenissen pas de laatste paar maanden plaatsvonden.
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Onder feit 1wordt aan verdachte verweten dat hij op 20 november 2022 zijn toenmalige partner [slachtoffer 4] heeft mishandeld. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaring van verdachte, vast dat verdachte [slachtoffer 4] heeft vastgepakt bij haar polsen. Verdachte ontkent dat hij haar vervolgens naar achteren heeft geduwd en met zijn knie tegen haar buik heeft geduwd. Dit vindt echter weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen, nu op de camerabeelden te zien is dat [slachtoffer 4] door verdachte naar achteren wordt geduwd. [slachtoffer 4] verklaart dat verdachte vervolgens met zijn rechterknie tegen haar buik aankwam. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van haar aangifte, omdat deze in voldoende mate wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen. De rechtbank zal de verklaring van [slachtoffer 4] dan ook volgen. Dat betekent dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard.
Feit 2
Onder feit 2 wordt aan verdachte verweten dat hij zijn stiefdochter [slachtoffer 2] op vier momenten in de periode van 22 juni 2021 tot en met 20 november 2022 heeft mishandeld. [slachtoffer 2] is zelf niet over de incidenten voorafgaand aan 20 november 2022 gehoord, haar zus [slachtoffer 1] wel. De rechtbank zal daarom allereerst beoordelen of de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar is.
Het enkele feit dat sprake dat er bij [slachtoffer 1] sprake is van gedragsproblematiek en een belaste voorgeschiedenis, maakt haar verklaring op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Wel dient er met behoedzaamheid met haar verklaring te worden omgegaan. De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van de verklaring van [slachtoffer 1] in voldoende mate steun vindt in de inhoud van andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van [slachtoffer 4] , de camerabeelden en de letselbeschrijvingen. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van haar verklaring, zodat de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] tot uitgangspunt neemt.
Op basis van de verklaring van [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte ter zitting kan wettig en overtuigend worden bewezen verdachte op 22 juni 2021 op de benen van [slachtoffer 2] is gaan zitten (gedachtestreepje 1). Het verweer dat [slachtoffer 1] hierdoor geen pijn heeft ondervonden volgt de rechtbank niet. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht niet alleen moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording. De hiervoor vastgestelde handeling, waarbij een volwassen man bovenop een minderjarig kind zit, moet tot een min of meer hevige onlust veroorzakende lichamelijke en geestelijke gewaarwording bij [slachtoffer 2] hebben geleid. Dit is een algemene ervaringsregel en verdachte moet zich hiervan bewust geweest zijn.
Op 27 oktober 2022 hebben er twee incidenten plaatsgevonden. Op basis van de verklaring van [slachtoffer 1] in combinatie met de beschrijving van de camerabeelden kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] tijdens het eerste incident op 27 oktober 2022 meermalen heeft geslagen/gestompt (gedachtestreepje 2). Ook acht de rechtbank het op basis van de verklaring van [slachtoffer 1] , de beschrijving van de camerabeelden en de eigen waarneming van de foto’s in het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] bij het eerste incident bij de keel heeft gegrepen, haar vervolgens heeft weggeduwd en haar daarna in haar bovenbeen heeft geknepen (gedachtestreepje 3). Gelet op de bewijsmiddelen acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte haar tijdens het tweede incident tegen de grond heeft geduwd, bovenop haar is gaan zitten, haar polsen heeft vastgepakt en tegen de grond heeft geduwd (gedachtestreepje 4). Hierbij acht de rechtbank het eveneens naar algemene ervaringsregels bewezen dat [slachtoffer 2] op deze momenten door het handelen van verdachte pijn heeft ondervonden.
[slachtoffer 2] heeft zelf verklaard over het incident dat op 20 november 2022 heeft plaatsgevonden, te weten dat zij van de bank werd afgeduwd en door verdachte bij haar been is gepakt (gedachtestreepje 5). Haar verklaring wordt ondersteund door de letselbeschrijving en de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 2] bij haar been heeft vastgepakt. Uit de letselbeschrijving volgt dat [slachtoffer 2] pijn en letsel door het handelen van verdachte heeft ondervonden.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank alle onder feit 2 ten laste gelegde handelingen wettig en overtuigend bewezen. Wat betreft de pleegperiode overweegt de rechtbank dat zij hiervoor heeft vastgesteld dat het eerste incident op 22 juni 2021 heeft plaatsgevonden en het laatste incident op 20 november 2022. Zij ziet daarom geen aanleiding om de pleegperiode in tijd te beperken.
Feit 3
Onder feit 3 wordt aan verdachte verweten dat hij op 20 november 2022 zijn stiefdochter [slachtoffer 1] heeft mishandeld. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat zij de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar acht. Zij zal haar verklaring daarom ook ten aanzien van dit feit als uitgangspunt nemen. Haar verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 4] , de letselbeschrijving en de verklaring van verdachte dat hij haar aan haar haren heeft vastgepakt en een tik heeft gegeven. De rechtbank volgt de verklaring van verdachte dat hij enkel met de vlakke hand heeft geslagen niet. Uit de letselbeschrijving blijkt dat net na het incident geen letsel bij [slachtoffer 1] waarneembaar was, maar de arts geeft ook aan dat de letsels de komende dagen mogelijk nog zichtbaar zullen worden. Op de foto’s die een aantal dagen later door [slachtoffer 1] zijn nagestuurd blijkt dat een duidelijke verkleuring rond haar linkeroog zichtbaar is geworden. Het letsel van [slachtoffer 1] past dan ook bij hetgeen door de arts is geconstateerd en bij de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] geschetste toedracht, namelijk dat verdachte [slachtoffer 1] met een vuist tegen het gezicht heeft geslagen. De rechtbank acht daarom de handelingen zoals opgenomen in de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4
Onder feit 4 wordt aan verdachte verweten dat hij zijn stiefdochters [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in de periode van 22 juni 2021 tot en met 20 november 2022 geestelijk heeft mishandeld. Op basis van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] getuigen zijn geweest van de mishandeling van hun moeder [slachtoffer 4] op 20 november 2022. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte zowel [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] gedurende de ten laste gelegde periode heeft bedreigd, uitgescholden, gekleineerd en denigrerend en dwingend heeft toegesproken. Ook blijkt hieruit dat hij meerdere malen op verschillende manieren tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij zelfmoord moet plegen. Over de vraag of [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hierdoor in hun gezondheid zijn benadeeld overweegt de rechtbank als volgt.
Feiten
Deze feiten kunnen bewezen worden verklaard gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier. Daarom zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage II van dit vonnis.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
feit 1
op 20 november 2022 te Vlissingen zijn levensgezel, [slachtoffer 4] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] (hardhandig) bij de polsen, vast te pakken en (vervolgens) die [slachtoffer 4] (naar achteren) te duwen en die [slachtoffer 4] (met zijn knie) tegen haar buik, te duwen;
feit 2
op tijdstippen in de periode van 22 juni 2021 tot en met 20 november 2022 te Vlissingen een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010, heeft mishandeld door:
- op de benen, van die [slachtoffer 2] te gaan zitten,
- die [slachtoffer 2] meermalen, te slaan en/of te stompen,
- die [slachtoffer 2] bij de keel/hals te grijpen/pakken/knijpen en die keel/hals dicht te
knijpen en (vervolgens) die [slachtoffer 2] weg te duwen en (vervolgens) die [slachtoffer 2] in
haar bovenbeen, te knijpen,
- die [slachtoffer 2] tegen de grond te duwen en (vervolgens) bovenop die [slachtoffer 2] te
gaan zitten en haar bij de polsen vast te pakken en (vervolgens) die polsen
tegen de grond te duwen en
- die [slachtoffer 2] van de bank af te duwen en die [slachtoffer 2] bij haar been, te pakken;
feit 3
op 20 november 2022 te Vlissingen een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 3] , heeft mishandeld door op die [slachtoffer 1] te zitten en die [slachtoffer 1] (met gebalde vuist) tegen het hoofd te slaan/stompen en die [slachtoffer 1] (met kracht) bij de haren te pakken en (vervolgens) aan die haren te trekken;
feit 4
op in de periode van 22 juni 2021 tot en met 20 november 2022 te Vlissingen, telkens opzettelijk heeft mishandeld en/ de gezondheid heeft benadeeld van [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 3] en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010, zijnde kinderen die hij verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin eenmaal:
- [slachtoffer 4] (partner verdachte/moeder kinderen) te mishandelen terwijl van voornoemde kinderen hierbij
aanwezig waren en deze mishandelingen hebben waargenomen en/of gehoord
en/of ervaren,
en meermalen:
- [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te bedreigen
en uit te schelden en kleineren en denigrerend en dwingend toe te
spreken en
- tegen [slachtoffer 1] uit te spreken dat zij zelfmoord zou moeten te plegen,
waardoor die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] psychisch letsel hebben bekomen en een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en geestelijke gewaarwording bij hun is veroorzaakt;
feit 5
op 20 november 2022 te Vlissingen opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 403 gram, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 6
in de periode van 20 november 2022 tot en met 22 november 2022 te Vlissingen een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat
deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk vier, gasdrukpistolen (merken P. Beretta en Hofeng Air Gun, Long Barrel caliber .45 en Detonic tm 50651 en/of Double Eagle) en een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder voorhanden heeft gehad;
feit 7
op 22 november 2022 te Vlissingen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een seinpistool/vuurwapen, van het merk Kilgore, model B, centraal vuur, kaliber 37mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 71 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast wordt gevorderd om aan verdachte op te leggen een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft erop gewezen dat de steeds maar groeiende spanningen in het gezin de aanleiding is geweest voor de incidenten. De ongezonde sfeer in huis is niet alleen veroorzaakt door verdachte, maar er was sprake van een situatie waarbij over en weer dingen werden gedaan en gezegd. Verdachte heeft op sommige momenten gehandeld uit onmacht. Verzocht wordt om hier rekening mee te houden. Uit het reclasseringsrapport volgt dat er geen sprake is van recidivegevaar. Daar komt bij dat er momenteel helemaal geen contact is met de slachtoffers en zijn eigen dochter. Verzocht wordt om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Ten aanzien van de duur van de gevorderde taakstraf refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
6.3
Beoordeling
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan fysieke mishandeling van zijn toenmalige partner en stiefdochters. Ook heeft hij zijn stiefdochters geestelijk mishandeld. Verdachte heeft daarmee de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers ernstig geschonden. Het handelen van verdachte heeft bij zijn toenmalige partner en stiefdochters gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen. De rechtbank vindt met name de wijze waarop verdachte met zijn stiefdochters is omgegaan, zeer verontrustend. Door de mishandelingen heeft verdachte zijn stiefdochters gevoelens van ongewenstheid, onveiligheid en minderwaardigheid gegeven. Zij hebben via hun schriftelijke slachtofferverklaring laten weten wat het gedrag van verdachte met hen heeft gedaan. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat zowel lichamelijke als psychische kindermishandeling kan zorgen voor gezondheidsklachten en gevolgen voor het welzijn en de ontwikkeling op lange termijn. Kinderen kunnen van dergelijke feiten tot in hun volwassenheid last van hebben. Verdachte heeft zijn stiefdochters door de mishandelingen ernstig tekort gedaan. Dit geldt ook voor zijn toenmalige partner, die naast dat zijzelf slachtoffer is geworden van mishandeling, getuige is geweest van de wijze waarop verdachte met haar dochters omging. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Verdachte heeft de schuld voor de verstoorde verhoudingen en de gebeurtenissen telkens bij zijn stiefdochters gelegd. De rechtbank is echter van oordeel dat de schuld voor verstoorde verhoudingen niet bij een kind kan en mag worden gelegd. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om hier in strafmatigende zin rekening mee te houden. Verdachte was verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van zijn stiefkinderen en had op het moment dat de problemen zich voor begonnen te doen, een andere manier moeten vinden om die op te lossen, bijvoorbeeld door op zoek te gaan naar passende hulp. Dat inzicht lijkt bij verdachte geheel te ontbreken. Uit het reclasseringsrapport van 31 januari 2024 blijkt ook dat verdachte niet open staat voor hulpverlening anders dan op praktisch gebied. Dit terwijl de reclassering wel risico’s ziet in zijn gedrag op het moment dat hij een nieuwe relatie zou krijgen.
Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verschillende (imitatie)wapens. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke voorwerpen is niet toegestaan en kan een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. Ook is in de woning van verdachte hennep aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat softdrugs schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Het baart de rechtbank zorgen dat in de woning van verdachte ook kinderen verbleven. Zij wisten dat verdachte zijn eigen hennep teelde en waren hier getuige van. Daarnaast blijkt uit het dossier dat zij over de imitatiewapens konden beschikken en deze ook hebben gebruikt. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, ook voor soortgelijke feiten.
Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank ten slotte rekening met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
Alles afwegende vindt de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden, zodat de rechtbank deze eis zal volgen. Zij zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen opleggen, waarvan 71 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaar. Het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf wordt opgelegd om de ernst van de feiten te benadrukken en om verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf opleggen voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis indien de taakstraf niet goed wordt uitgevoerd.
7De benadeelde partij
7.1
De benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]
De benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vorderen ieder een schadevergoeding van
€ 1.000,- ter zake van immateriële schade. Daarbij is verzocht de bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en telkens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partijen immateriële schade heeft geleden door het handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat door de nadelige (psychische) gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen een vergoeding van immateriële schade op zijn plaats is.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten en zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is door de benadeelde partijen voldoende aannemelijk gemaakt en voldoende onderbouwd. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank vergoeding van het gevorderde bedrag van € 1.000,-- billijk. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedragen toewijzen vanaf 20 november 2022. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
7.2
De benadeelde partij [slachtoffer 4]
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van € 500,- ter zake van immateriële schade.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden door het handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat door de nadelige (psychische) gevolgen daarvan voor de benadeelde partij een vergoeding van immateriële schade op zijn plaats is.
De rechtbank begroot de immateriële schade van de benadeelde partij anders dan bij de onder 7.1 genoemde benadeelden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de positie van de benadeelde partij binnen de verhoudingen van het gezin als partner van verdachte anders is geweest dan die van de kinderen. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 250,-. De rechtbank acht dit bedrag gelet op het bewezenverklaarde feit, de onderbouwing van de vordering en de hoogte van schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, billijk. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedragen toewijzen vanaf 20 november 2022. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8Het beslag
8.1
De onttrekking aan het verkeer
De hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen (te weten de hennep) zullen worden onttrokken aan het verkeer. Feit 5 is met betrekking tot deze voorwerpen begaan en de voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang
8.2
De verbeurdverklaring
De hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen (te weten de potten en het blik) zullen verbeurd worden verklaard.
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel;
feit 2: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;
feit 3: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd;
feit 4: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd;
feit 5: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 6: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
feit 7: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren;
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen, waarvan 71 (eenenzeventig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
De benadeelde partij [slachtoffer 2]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2] (feiten 2 en 4), € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
De benadeelde partij [slachtoffer 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1] (feiten 3 en 4), € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
De benadeelde partij [slachtoffer 4]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van € 250,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 4]
(feit 1), € 250,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 5 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Beslag
- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de potten en het blik (G2534516, G2534518 en G2534519);
- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de hennep (G2528983, G2528988 en G2528994);
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. G.H. Nomes en
mr. M.A.H. Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 februari 2024.
Mr. Kempen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02-303243-22
vonnis van de meervoudige kamer van 16 februari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1977 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. A.I. Cambier, advocaat te Axel.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 februari 2024, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn partner en stiefdochters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feiten 1 tot en met 3) en dat verdachte zijn stiefdochters en dochter ( [slachtoffer 3] ) geestelijk heeft mishandeld (feit 4). Verder wordt aan verdachte verweten dat hij 430 gram hennep aanwezig heeft gehad (feit 5) en vier op vuurwapens gelijkende voorwerpen, een ploertendoder en een vuurwapen voorhanden heeft gehad (feiten 6 en 7).
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Ten aanzien van feiten 1 tot en met 3 worden de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] (de moeder van de kinderen) over de gebeurtenissen ondersteund door de foto’s, de camerabeelden en de letselbeschrijvingen. Er bevindt zich dus telkens voldoende steunbewijs in het dossier. [slachtoffer 2] heeft zelf gelet op haar jonge leeftijd niet over alle gebeurtenissen verklaard, maar ook de handelingen die ten aanzien van haar zijn gepleegd kunnen wettig en overtuigend worden bewezen op basis van voornoemde bewijsmiddelen.
Ook feit 4 kan wettig en overtuigend worden bewezen. Op basis van de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] kan worden vastgesteld dat verdachte kleinerende, denigrerende en kwetsende uitlatingen heeft gedaan en tegen [slachtoffer 1] heeft uitgesproken dat zij zelfmoord moet plegen. De uitspraken van verdachte waren daarnaast ook bedreigend van aard. Verdachte deed dit om hun te kwetsen, waaruit het (voorwaardelijk) opzet blijkt. Dit gebeurde stelselmatig. De uitspraken en uitlatingen die verdachte heeft gedaan zijn zeer kwetsend en het kan niet anders dan dat die sporen hebben nagelaten bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Hiermee heeft verdachte hun gezondheid benadeeld. Op basis van het dossier kan niet worden bewezen dat [slachtoffer 3] van deze uitlatingen getuige is geweest, zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken. Dat geldt ook voor het eerste gedachtestreepje, omdat hieruit geen stelselmatigheid blijkt.
Feiten
4.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft verdachte bekend dat hij [slachtoffer 4] heeft vastgepakt bij haar polsen. De overige handelingen ontkent verdachte. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte haar tegen het lichaam getrapt/geschopt of geduwd heeft, hij is op haar terecht gekomen omdat hij door [slachtoffer 1] werd geduwd. Van dat gedeelte van de tenlastelegging moet verdachte daarom worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] op 20 november 2022 heeft vastgepakt bij haar been. Van de overige ten laste gelegde handelingen moet verdachte worden vrijgesproken omdat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs en/of omdat een deel van de handelingen geen pijn of letsel hebben opgeleverd.
Verdachte heeft ten aanzien van feit 3 verklaard dat hij [slachtoffer 1] bij de haren heeft vastgepakt en met de vlakke hand heeft geslagen omdat zij hem besprong. Dat kan wettig en overtuigend worden bewezen. De verklaring van [slachtoffer 1] , dat zij door verdachte drie keer met kracht met de vuist is geslagen, past niet bij het geconstateerde letsel zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Verdachte moet ten aanzien van feit 4 vrijgesproken worden van het eerste gedachtestreepje omdat daaruit geen stelselmatigheid blijkt. Ook moet vrijspraak volgen van gedachtestreepje twee en drie omdat verdachte dit ontkent. Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje kan worden vastgesteld dat verdachte heeft gescholden, maar dit was uit onmacht, mede omdat er over en weer werd gescholden. Het is maar de vraag of de gezondheid van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hierdoor is benadeeld, gelet op hetgeen zij zelf terug zeiden. Verdachte ontkent dat hij hun ook heeft bedreigd. Verder moet de pleegperiode worden ingekort gelet op de verklaring van [slachtoffer 4] dat de gebeurtenissen pas de laatste paar maanden plaatsvonden.
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Onder feit 1wordt aan verdachte verweten dat hij op 20 november 2022 zijn toenmalige partner [slachtoffer 4] heeft mishandeld. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaring van verdachte, vast dat verdachte [slachtoffer 4] heeft vastgepakt bij haar polsen. Verdachte ontkent dat hij haar vervolgens naar achteren heeft geduwd en met zijn knie tegen haar buik heeft geduwd. Dit vindt echter weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen, nu op de camerabeelden te zien is dat [slachtoffer 4] door verdachte naar achteren wordt geduwd. [slachtoffer 4] verklaart dat verdachte vervolgens met zijn rechterknie tegen haar buik aankwam. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van haar aangifte, omdat deze in voldoende mate wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen. De rechtbank zal de verklaring van [slachtoffer 4] dan ook volgen. Dat betekent dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard.
Feit 2
Onder feit 2 wordt aan verdachte verweten dat hij zijn stiefdochter [slachtoffer 2] op vier momenten in de periode van 22 juni 2021 tot en met 20 november 2022 heeft mishandeld. [slachtoffer 2] is zelf niet over de incidenten voorafgaand aan 20 november 2022 gehoord, haar zus [slachtoffer 1] wel. De rechtbank zal daarom allereerst beoordelen of de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar is.
Het enkele feit dat sprake dat er bij [slachtoffer 1] sprake is van gedragsproblematiek en een belaste voorgeschiedenis, maakt haar verklaring op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Wel dient er met behoedzaamheid met haar verklaring te worden omgegaan. De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van de verklaring van [slachtoffer 1] in voldoende mate steun vindt in de inhoud van andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van [slachtoffer 4] , de camerabeelden en de letselbeschrijvingen. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van haar verklaring, zodat de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] tot uitgangspunt neemt.
Op basis van de verklaring van [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte ter zitting kan wettig en overtuigend worden bewezen verdachte op 22 juni 2021 op de benen van [slachtoffer 2] is gaan zitten (gedachtestreepje 1). Het verweer dat [slachtoffer 1] hierdoor geen pijn heeft ondervonden volgt de rechtbank niet. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht niet alleen moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording. De hiervoor vastgestelde handeling, waarbij een volwassen man bovenop een minderjarig kind zit, moet tot een min of meer hevige onlust veroorzakende lichamelijke en geestelijke gewaarwording bij [slachtoffer 2] hebben geleid. Dit is een algemene ervaringsregel en verdachte moet zich hiervan bewust geweest zijn.
Op 27 oktober 2022 hebben er twee incidenten plaatsgevonden. Op basis van de verklaring van [slachtoffer 1] in combinatie met de beschrijving van de camerabeelden kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] tijdens het eerste incident op 27 oktober 2022 meermalen heeft geslagen/gestompt (gedachtestreepje 2). Ook acht de rechtbank het op basis van de verklaring van [slachtoffer 1] , de beschrijving van de camerabeelden en de eigen waarneming van de foto’s in het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] bij het eerste incident bij de keel heeft gegrepen, haar vervolgens heeft weggeduwd en haar daarna in haar bovenbeen heeft geknepen (gedachtestreepje 3). Gelet op de bewijsmiddelen acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte haar tijdens het tweede incident tegen de grond heeft geduwd, bovenop haar is gaan zitten, haar polsen heeft vastgepakt en tegen de grond heeft geduwd (gedachtestreepje 4). Hierbij acht de rechtbank het eveneens naar algemene ervaringsregels bewezen dat [slachtoffer 2] op deze momenten door het handelen van verdachte pijn heeft ondervonden.
[slachtoffer 2] heeft zelf verklaard over het incident dat op 20 november 2022 heeft plaatsgevonden, te weten dat zij van de bank werd afgeduwd en door verdachte bij haar been is gepakt (gedachtestreepje 5). Haar verklaring wordt ondersteund door de letselbeschrijving en de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 2] bij haar been heeft vastgepakt. Uit de letselbeschrijving volgt dat [slachtoffer 2] pijn en letsel door het handelen van verdachte heeft ondervonden.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank alle onder feit 2 ten laste gelegde handelingen wettig en overtuigend bewezen. Wat betreft de pleegperiode overweegt de rechtbank dat zij hiervoor heeft vastgesteld dat het eerste incident op 22 juni 2021 heeft plaatsgevonden en het laatste incident op 20 november 2022. Zij ziet daarom geen aanleiding om de pleegperiode in tijd te beperken.
Feit 3
Onder feit 3 wordt aan verdachte verweten dat hij op 20 november 2022 zijn stiefdochter [slachtoffer 1] heeft mishandeld. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat zij de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar acht. Zij zal haar verklaring daarom ook ten aanzien van dit feit als uitgangspunt nemen. Haar verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 4] , de letselbeschrijving en de verklaring van verdachte dat hij haar aan haar haren heeft vastgepakt en een tik heeft gegeven. De rechtbank volgt de verklaring van verdachte dat hij enkel met de vlakke hand heeft geslagen niet. Uit de letselbeschrijving blijkt dat net na het incident geen letsel bij [slachtoffer 1] waarneembaar was, maar de arts geeft ook aan dat de letsels de komende dagen mogelijk nog zichtbaar zullen worden. Op de foto’s die een aantal dagen later door [slachtoffer 1] zijn nagestuurd blijkt dat een duidelijke verkleuring rond haar linkeroog zichtbaar is geworden. Het letsel van [slachtoffer 1] past dan ook bij hetgeen door de arts is geconstateerd en bij de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] geschetste toedracht, namelijk dat verdachte [slachtoffer 1] met een vuist tegen het gezicht heeft geslagen. De rechtbank acht daarom de handelingen zoals opgenomen in de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4
Onder feit 4 wordt aan verdachte verweten dat hij zijn stiefdochters [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in de periode van 22 juni 2021 tot en met 20 november 2022 geestelijk heeft mishandeld. Op basis van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] getuigen zijn geweest van de mishandeling van hun moeder [slachtoffer 4] op 20 november 2022. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte zowel [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] gedurende de ten laste gelegde periode heeft bedreigd, uitgescholden, gekleineerd en denigrerend en dwingend heeft toegesproken. Ook blijkt hieruit dat hij meerdere malen op verschillende manieren tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij zelfmoord moet plegen. Over de vraag of [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hierdoor in hun gezondheid zijn benadeeld overweegt de rechtbank als volgt.
Feiten
Deze feiten kunnen bewezen worden verklaard gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier. Daarom zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage II van dit vonnis.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
feit 1
op 20 november 2022 te Vlissingen zijn levensgezel, [slachtoffer 4] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] (hardhandig) bij de polsen, vast te pakken en (vervolgens) die [slachtoffer 4] (naar achteren) te duwen en die [slachtoffer 4] (met zijn knie) tegen haar buik, te duwen;
feit 2
op tijdstippen in de periode van 22 juni 2021 tot en met 20 november 2022 te Vlissingen een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010, heeft mishandeld door:
- op de benen, van die [slachtoffer 2] te gaan zitten,
- die [slachtoffer 2] meermalen, te slaan en/of te stompen,
- die [slachtoffer 2] bij de keel/hals te grijpen/pakken/knijpen en die keel/hals dicht te
knijpen en (vervolgens) die [slachtoffer 2] weg te duwen en (vervolgens) die [slachtoffer 2] in
haar bovenbeen, te knijpen,
- die [slachtoffer 2] tegen de grond te duwen en (vervolgens) bovenop die [slachtoffer 2] te
gaan zitten en haar bij de polsen vast te pakken en (vervolgens) die polsen
tegen de grond te duwen en
- die [slachtoffer 2] van de bank af te duwen en die [slachtoffer 2] bij haar been, te pakken;
feit 3
op 20 november 2022 te Vlissingen een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 3] , heeft mishandeld door op die [slachtoffer 1] te zitten en die [slachtoffer 1] (met gebalde vuist) tegen het hoofd te slaan/stompen en die [slachtoffer 1] (met kracht) bij de haren te pakken en (vervolgens) aan die haren te trekken;
feit 4
op in de periode van 22 juni 2021 tot en met 20 november 2022 te Vlissingen, telkens opzettelijk heeft mishandeld en/ de gezondheid heeft benadeeld van [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 3] en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010, zijnde kinderen die hij verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin eenmaal:
- [slachtoffer 4] (partner verdachte/moeder kinderen) te mishandelen terwijl van voornoemde kinderen hierbij
aanwezig waren en deze mishandelingen hebben waargenomen en/of gehoord
en/of ervaren,
en meermalen:
- [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te bedreigen
en uit te schelden en kleineren en denigrerend en dwingend toe te
spreken en
- tegen [slachtoffer 1] uit te spreken dat zij zelfmoord zou moeten te plegen,
waardoor die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] psychisch letsel hebben bekomen en een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en geestelijke gewaarwording bij hun is veroorzaakt;
feit 5
op 20 november 2022 te Vlissingen opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 403 gram, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 6
in de periode van 20 november 2022 tot en met 22 november 2022 te Vlissingen een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat
deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk vier, gasdrukpistolen (merken P. Beretta en Hofeng Air Gun, Long Barrel caliber .45 en Detonic tm 50651 en/of Double Eagle) en een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder voorhanden heeft gehad;
feit 7
op 22 november 2022 te Vlissingen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een seinpistool/vuurwapen, van het merk Kilgore, model B, centraal vuur, kaliber 37mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 71 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast wordt gevorderd om aan verdachte op te leggen een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft erop gewezen dat de steeds maar groeiende spanningen in het gezin de aanleiding is geweest voor de incidenten. De ongezonde sfeer in huis is niet alleen veroorzaakt door verdachte, maar er was sprake van een situatie waarbij over en weer dingen werden gedaan en gezegd. Verdachte heeft op sommige momenten gehandeld uit onmacht. Verzocht wordt om hier rekening mee te houden. Uit het reclasseringsrapport volgt dat er geen sprake is van recidivegevaar. Daar komt bij dat er momenteel helemaal geen contact is met de slachtoffers en zijn eigen dochter. Verzocht wordt om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Ten aanzien van de duur van de gevorderde taakstraf refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
6.3
Beoordeling
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan fysieke mishandeling van zijn toenmalige partner en stiefdochters. Ook heeft hij zijn stiefdochters geestelijk mishandeld. Verdachte heeft daarmee de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers ernstig geschonden. Het handelen van verdachte heeft bij zijn toenmalige partner en stiefdochters gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen. De rechtbank vindt met name de wijze waarop verdachte met zijn stiefdochters is omgegaan, zeer verontrustend. Door de mishandelingen heeft verdachte zijn stiefdochters gevoelens van ongewenstheid, onveiligheid en minderwaardigheid gegeven. Zij hebben via hun schriftelijke slachtofferverklaring laten weten wat het gedrag van verdachte met hen heeft gedaan. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat zowel lichamelijke als psychische kindermishandeling kan zorgen voor gezondheidsklachten en gevolgen voor het welzijn en de ontwikkeling op lange termijn. Kinderen kunnen van dergelijke feiten tot in hun volwassenheid last van hebben. Verdachte heeft zijn stiefdochters door de mishandelingen ernstig tekort gedaan. Dit geldt ook voor zijn toenmalige partner, die naast dat zijzelf slachtoffer is geworden van mishandeling, getuige is geweest van de wijze waarop verdachte met haar dochters omging. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Verdachte heeft de schuld voor de verstoorde verhoudingen en de gebeurtenissen telkens bij zijn stiefdochters gelegd. De rechtbank is echter van oordeel dat de schuld voor verstoorde verhoudingen niet bij een kind kan en mag worden gelegd. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om hier in strafmatigende zin rekening mee te houden. Verdachte was verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van zijn stiefkinderen en had op het moment dat de problemen zich voor begonnen te doen, een andere manier moeten vinden om die op te lossen, bijvoorbeeld door op zoek te gaan naar passende hulp. Dat inzicht lijkt bij verdachte geheel te ontbreken. Uit het reclasseringsrapport van 31 januari 2024 blijkt ook dat verdachte niet open staat voor hulpverlening anders dan op praktisch gebied. Dit terwijl de reclassering wel risico’s ziet in zijn gedrag op het moment dat hij een nieuwe relatie zou krijgen.
Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verschillende (imitatie)wapens. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke voorwerpen is niet toegestaan en kan een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. Ook is in de woning van verdachte hennep aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat softdrugs schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Het baart de rechtbank zorgen dat in de woning van verdachte ook kinderen verbleven. Zij wisten dat verdachte zijn eigen hennep teelde en waren hier getuige van. Daarnaast blijkt uit het dossier dat zij over de imitatiewapens konden beschikken en deze ook hebben gebruikt. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, ook voor soortgelijke feiten.
Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank ten slotte rekening met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
Alles afwegende vindt de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden, zodat de rechtbank deze eis zal volgen. Zij zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen opleggen, waarvan 71 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaar. Het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf wordt opgelegd om de ernst van de feiten te benadrukken en om verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf opleggen voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis indien de taakstraf niet goed wordt uitgevoerd.
7De benadeelde partij
7.1
De benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]
De benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vorderen ieder een schadevergoeding van
€ 1.000,- ter zake van immateriële schade. Daarbij is verzocht de bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en telkens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partijen immateriële schade heeft geleden door het handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat door de nadelige (psychische) gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen een vergoeding van immateriële schade op zijn plaats is.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten en zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is door de benadeelde partijen voldoende aannemelijk gemaakt en voldoende onderbouwd. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank vergoeding van het gevorderde bedrag van € 1.000,-- billijk. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedragen toewijzen vanaf 20 november 2022. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
7.2
De benadeelde partij [slachtoffer 4]
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van € 500,- ter zake van immateriële schade.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden door het handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat door de nadelige (psychische) gevolgen daarvan voor de benadeelde partij een vergoeding van immateriële schade op zijn plaats is.
De rechtbank begroot de immateriële schade van de benadeelde partij anders dan bij de onder 7.1 genoemde benadeelden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de positie van de benadeelde partij binnen de verhoudingen van het gezin als partner van verdachte anders is geweest dan die van de kinderen. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 250,-. De rechtbank acht dit bedrag gelet op het bewezenverklaarde feit, de onderbouwing van de vordering en de hoogte van schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, billijk. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedragen toewijzen vanaf 20 november 2022. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8Het beslag
8.1
De onttrekking aan het verkeer
De hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen (te weten de hennep) zullen worden onttrokken aan het verkeer. Feit 5 is met betrekking tot deze voorwerpen begaan en de voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang
8.2
De verbeurdverklaring
De hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen (te weten de potten en het blik) zullen verbeurd worden verklaard.
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel;
feit 2: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;
feit 3: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd;
feit 4: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd;
feit 5: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 6: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
feit 7: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren;
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen, waarvan 71 (eenenzeventig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
De benadeelde partij [slachtoffer 2]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2] (feiten 2 en 4), € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
De benadeelde partij [slachtoffer 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1] (feiten 3 en 4), € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
De benadeelde partij [slachtoffer 4]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van € 250,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 4]
(feit 1), € 250,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 5 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Beslag
- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de potten en het blik (G2534516, G2534518 en G2534519);
- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de hennep (G2528983, G2528988 en G2528994);
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. G.H. Nomes en
mr. M.A.H. Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 februari 2024.
Mr. Kempen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.