Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-04
ECLI:NL:RBZWB:2024:8638
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,480 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 10756248 \ MB VERZ 23-543
CJIB-nummer : 8062 5422 5066 5250
uitspraakdatum : 4 november 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 november 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 21 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1) op de A16 te Prinsenbeek (Gemeente Breda) op 3 juli 2022 om 12:07 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete ten onrechte is opgelegd. Gemachtigde verwijst naar artikel 5 Wahv en stelt dat er een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond, zodat ten onrechte is bekeurd op kenteken. De door de verbalisant gegeven verklaring is op zichzelf geen toereikende reden om af te zien van een staandehouding. Gemachtigde verwijst hiervoor naar uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Ook is betrokkene van oordeel dat de officier van justitie ten onrechte heeft afgezien van het vaststellen van de aan hem verschuldigde dwangsom. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De officier van justitie heeft per brief op 19 augustus 2022 een aanvullend proces-verbaal opgevraagd. Hier is geen gehoor aan gegeven. Vanwege de verstreken tijd sindsdien acht de zittingsvertegenwoordiger het niet meer opportuun wederom een aanvullend proces-verbaal op te vragen.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarbij is van belang dat onvoldoende is onderbouwd waarom er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Gemachtigde heeft tot slot verzocht om toekenning van de wettelijke dwangsom omdat de officier van justitie niet tijdig heeft beslist.
Op grond van artikel 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de officier van justitie beslissen binnen 16 weken vanaf het einde van de beroepstermijn. De beroepstermijn eindigde in dit geval op 15 december 2022.
De officier van justitie heeft per brief van 14 december 2022 de beslistermijn met tien weken verlengd. Deze verlenging kan gelet op de datum niet vóór ommekomst van de beslistermijn door betrokkene of zijn gemachtigde zijn ontvangen. Dit betekent dat de termijn niet rechtsgeldig is verlengd.
Op grond van artikel 4:17 lid 3 Awb is de eerste dag waarover een dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de beslistermijn is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Uit het dossier blijkt dat de officier van justitie op 30 januari 2023 een ingebrekestelling heeft ontvangen en dat dus vanaf 14 februari 2023 een dwangsom verschuldigd is. Dit betekent dat de officier van justitie aan betrokkene voor 1 dag een dwangsom heeft verbeurd (artikel 4:17 lid 1 Awb).
Gelet op artikel 4:17 lid 2 Awb bedraagt de dwangsom € 23,-. De berekening is als volgt:
1 dag x € 23,- = € 23,-.
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen, die als volgt is berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 624,- = € 312,00
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 875,- = € 437,50
totaal €749,50
De kantonrechter overweegt, onder verwijzing naar, ECLI:NL:GHARL:2024:1024, dat
het Besluit proceskosten bestuursrecht geen vergoeding kent voor schriftelijk horen.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 202,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ stelt vast dat de officier van justitie aan betrokkene een dwangsom van € 23,- is verschuldigd, vermeerderd met de wettelijke rente;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 749,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: