Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-13
ECLI:NL:RBZWB:2024:8518
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,464 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/6263 tot en met 24/6266
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die belanghebbende heeft ingesteld omdat de inspecteur volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van belanghebbende tegen de dwangsombeschikking van 11 januari 2023.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
Hoe is het proces tot nu toe verlopen?
2. Op 23 mei 2022 en 26 oktober 2022 heeft de inspecteur van belanghebbende verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2017 tot en met 2020 ontvangen (de verzoeken om ambtshalve vermindering) .
2.1.
Op 16 augustus 2022 en 4 november 2022 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van beslissingen op de verzoeken tot ambtshalve vermindering en daarbij verzocht – als niet tijdig zou worden beslist – om een vergoeding een dwangsom.
2.2.
Met dagtekening 17 november 2022 heeft de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen. Belanghebbende is daartegen in bezwaar gekomen en heeft verzocht het bezwaar aan te houden totdat de Hoge Raad meer duidelijkheid heeft verschaft of in het geval van belanghebbende recht bestaat op een vermindering van de heffing over het box 3-inkomen.
2.3.
Op 11 januari 2023 heeft de inspecteur het verzoek om een dwangsom afgewezen (de dwangsombeschikking). Op 3 februari 2023 is belanghebbende daartegen in bezwaar gegaan.
2.4.
Op 22 mei 2023 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op bezwaar inzake het ingediende bezwaarschrift gericht tegen de dwangsombeschikking.
2.5.
Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland ter zake van het uitblijven van een beslissing op bezwaar inzake de dwangsombeschikking. Die rechtbank heeft op 18 juli 2024 beslist dat de inspecteur binnen twee weken moest beslissen op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking en dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op dat bezwaar.
2.6.
Tot op heden heeft de inspecteur niet op de bezwaren tegen de beslissingen om ambtshalve vermindering beslist en ook niet op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking.
Zijn de beroepen ontvankelijk?
3. De rechtbank volgt de inspecteur niet in zijn stelling dat de werking van de uitspraak van rechtbank Noord-Holland is opgeschort in verband met het daartegen ingestelde hoger beroep. In artikel 8:106, tweede lid, van de Awb is immers bepaald dat geen schorsende werking bestaat indien de uitspraak een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit betreft.
3.1.
Dit betekent echter nog niet dat het beroep van belanghebbende ontvankelijk is. Op grond van artikel 4:19 van de Awb heeft het bezwaar tegen de aanslag van rechtswege mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voorzover belanghebbende deze beschikking betwist. Dit betekent dat met het aandragen van klachten tegen de dwangsombeschikking geen aparte bezwaarprocedure wordt gestart, maar deze klachten worden ingebracht en behandeld in het kader van het bezwaar tegen de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering. Aangezien deze bezwaren zijn aangehouden en de inspecteur daarvoor (nog) niet in gebreke is, is hij ook niet in gebreke om te beslissen op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking. Belanghebbende kon daarom (nog) geen beroep wegens niet tijdig beslissen instellen. Het beroep is prematuur.
3.2.
Gelet op het voorgaande zijn de beroepen niet-ontvankelijk. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de gronden. Er bestaat geen aanleiding voor een dwangsom.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;
wijst de verzoeken om een dwangsom af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 13 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Zaaknummer HAA 23/3629. De uitspraak is niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Vgl. Hoge Raad 25 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787.