Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-23
ECLI:NL:RBZWB:2024:8497
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,149 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 10867206 \ CV EXPL 24-59
Vonnis van 23 oktober 2024
in de zaak van
FIDUCRÉ N.V.,
te Brussel (België),
eisende partij,
hierna te noemen: Fiducré,
gemachtigde: ACCS gerechtsdeurwaarders te Eindhoven,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 april 2024 met de daarin vermelde processtukken; - de akte na tussenvonnis van Fiducré van 27 mei 2024 met productie.
1.2.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben, alhoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid te zijn gesteld, geen antwoordakte genomen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen in voormeld tussenvonnis en overweegt verder als volgt.
2.2.
Bij voormeld tussenvonnis is Fiducré in de gelegenheid gesteld om de gedateerde en door partijen ondertekende overeenkomsten betreffende krediet II en de zichtrekening alsnog in het geding te brengen. Daarnaast is Fiducré in de gelegenheid gesteld om stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat KBC Bank B.V. (hierna: KBC) bij de totstandkoming van de gestelde kredietovereenkomsten heeft voldaan aan de op haar rustende precontractuele informatieverplichtingen.
(het bestaan van) de kredietovereenkomst betreffende krediet I
2.3.
Vast staat dat tussen partijen op 27 juni 2016 een overeenkomst betreffende krediet I tot stand is gekomen. Het betreft een consumentenkrediet met een kredietbedrag van € 11.000,00 en een totaal terug te betalen bedrag van € 11.733,60 in 60 maandelijkse termijnen van € 195,56. Dit blijkt uit de door Fiducré bij dagvaarding overgelegde gedateerde en door partijen ondertekende overeenkomst.
2.4.
Als onweersproken staat verder vast dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ten aanzien van krediet I een bedrag van € 9.298,59 aan hoofdsom aan Fiducré verschuldigd zijn.
(het bestaan van) de kredietovereenkomst betreffende krediet II
2.5.
Fiducré heeft bij akte geen gedateerde en door partijen ondertekende overeenkomst betreffende krediet II overgelegd. Fiducré heeft hierover bij akte ook niets verklaard. Het is aan Fiducré om haar stellingen voldoende te onderbouwen. Nu een gedateerde en door partijen ondertekende overeenkomst ontbreekt is – zoals ook bij tussenvonnis is overwogen – de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat er ter zake krediet II een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Hierbij speelt ook mee dat ter zake krediet II geen andere stukken, zoals bijvoorbeeld een ingebrekestelling, zijn overgelegd. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.
(het bestaan van) de kredietovereenkomst betreffende de zichtrekening
2.6.
Fiducré heeft bij akte ook geen gedateerde en door partijen ondertekende overeenkomst betreffende de zichtrekening overgelegd. Fiducré heeft in plaats daarvan rekeninguittreksels tot en met 17 juli 2017 in het geding gebracht. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
2.7.
Bij dagvaarding heeft Fiducré gesteld dat op 1 februari 2018 door KBC een zichtrekening ter beschikking is gesteld. Uit de bij dagvaarding overgelegde producties blijkt echter dat de zichtrekening op 17 juli 2017 is beëindigd. Dit strookt niet met elkaar. Bij akte van 27 mei 2024 heeft Fiducré vervolgens verklaard dat de zichtrekening op 15 april 2014 is afgesloten. Uit de rekeninguittreksels blijkt dat in ieder geval sinds 22 juli 2014 gebruik is gemaakt van de zichtrekening en dat de rekening op 17 juli 2017 een negatief saldo van € 1.001,51 had. Deze zichtrekening stond op naam van [gedaagde sub 2] . Hieruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende dat tussen [gedaagde sub 2] en KBC een kredietovereenkomst ter zake een zichtrekening tot stand is gekomen.
2.8.
Wegens het ontbreken van een gedateerde en door partijen ondertekende overeenkomst kan echter niet worden vastgesteld onder welke voorwaarden deze zichtrekening is afgesloten.
de precontractuele informatieverplichtingen
2.9.
Fiducré is voorts verzocht om stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat KBC bij de totstandkoming van de door Fiducré gestelde kredietovereenkomsten heeft voldaan aan de op haar rustende precontractuele informatieverplichtingen. Fiducré heeft bij akte – kort gezegd – aangegeven dat zij wel degelijk aan haar precontractuele informatieverplichtingen heeft voldaan omdat alle informatie minutieus ten kantore van KBC is doorgenomen. Daarnaast stelt Fiducré dat het niet naleven van de precontractuele informatieverplichtingen geen automatische herleiding met zich meebrengt omdat in artikel VII.201 WER slechts is bepaald dat de kantonrechter hier een sanctie aan kan verbinden. Tevens stelt Fiducré dat de bewijslast van het in gebreke blijven van KBC van haar verplichtingen, op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] rust.
2.10.
De kantonrechter is ambtshalve gehouden om te toetsen of er is voldaan aan de precontractuele verplichtingen aan de zijde van de kredietverstrekker. Nu niet is gebleken dat tussen partijen een kredietovereenkomst ter zake krediet II tot stand is gekomen, zal de kantonrechter enkel toetsen of ten aanzien van krediet I en de zichtrekening is voldaan aan de precontractuele verplichtingen.
2.11.
In het Belgisch recht is het consumentenkrediet geregeld in het Wetboek van Economisch Recht (hierna: WER), afdeling VII.
2.12.
In artikel VII.70 WER is ten aanzien van de precontractuele informatieverplichtingen bepaald dat, voordat de consument door een kredietovereenkomst of een kredietaanbod wordt gebonden, de kredietgever en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar op basis van de door de kredietgever aangeboden kredietvoorwaarden en de eventueel door de consument kenbaar gemaakte voorkeur en verstrekte informatie, de consument de gepersonaliseerde informatie verstrekt noodzakelijk om verschillende aanbiedingen te kunnen vergelijken en zo een geïnformeerd besluit te kunnen nemen over het sluiten van een kredietovereenkomst. Die informatie is in genoemd artikel uitgewerkt en betreft een groot aantal vereisten. Die informatie wordt, op een duurzame drager verstrekt met behulp van het formulier "Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet (SECCI)". Het is – volgens de memorie van toelichting – niet toegelaten om de consument te verplichten om het SECCI en de kredietovereenkomst gelijktijdig te laten ondertekenen. De kredietgever en, desgevallend, de kredietbemiddelaar worden inzake consumentenkrediet geacht te hebben voldaan aan de voorschriften van deze paragraaf wanneer zij de SECCI hebben verstrekt.
2.13.
Het Hof van Justitie van de EU heeft in haar arrest van 18 december 2014 daarnaast geoordeeld dat de richtlijn consumentenkrediet zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die de bewijslast aangaande het niet naleven van informatieverplichtingen op de consument zou leggen. Het is dus aan Fiducré om te onderbouwen dat de KBC aan haar precontractuele verplichtingen uit artikel VII.70 WER heeft voldaan.
2.14.
De kantonrechter overweegt dat niet is gebleken dat KBC aan haar precontractuele informatieverplichtingen uit artikel VII.70 WER heeft voldaan. Uit de stukken blijkt namelijk niet dat voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomsten de noodzakelijke informatie is verstrekt. Allereerst wordt in de overeenkomst ter zake krediet I niets vermeld over het verstrekken van de SECCI. Een ingevulde SECCI bevindt zich ook niet bij de stukken. In het algemeen blijkt nergens uit dat voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomsten de benodigde informatie aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is verstrekt.
Conclusie
2.21.
Op grond van het voorgaande zal de vordering tot betaling van € 9.298,59 aan hoofdsom ter zake krediet I worden toegewezen. De vordering tot betaling van € 20.185,92 aan hoofdsom zal worden afgewezen nu niet vast is komen te staan dat een overeenkomst ter zake krediet II tussen partijen tot stand is gekomen. Daarnaast zal de kantonrechter [gedaagde sub 2] veroordelen tot betaling van € 1.001,51 wegens het negatief saldo ten tijde van het sluiten van de zichtrekening. Door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is een betaling van € 250,00 gedaan. Dit bedrag dient te worden verrekend met het eerst opeisbare bedrag van de toewijsbare hoofdsommen, zijnde de hoofdsom ter zake krediet I.
2.22.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter zal hierbij een bedrag van € 885,00 aan griffierecht buiten beschouwing laten nu een lager bedrag wordt toegewezen dan gevorderd. De proceskosten van Fiducré worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
130,48
- griffierecht
€
524,00
- salaris gemachtigde
€
406,00
(1 punt × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
totaal
€
1.195,48
2.23.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan Fiducré te betalen een bedrag van € 9.048,59;
3.2.
veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan Fiducré te betalen een bedrag van € 1.001,51;
3.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.195,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook de kosten van betekening betalen;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2024.
(ST)
HvJ van de EU, 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2464, rov 32.
Richtlijn 2008/48/EG