Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:849
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,348 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/389849 / FA RK 21-4398
datum uitspraak: 19 januari 2024
nadere beschikking betreffende vaststelling vaderschap
in de zaak van
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. drs. C.G. Matze te Breda,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
zonder een voor de rechtbank bekende woon- en/of verblijfplaats in Nederland.
Als belanghebbende in onderhavige zaak wordt aangemerkt:
- mr. M. Janse, advocaat te Halsteren, in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het nadere procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van 28 november 2022 en de daarin genoemde stukken;
- de brief van Verilabs van 2 februari 2023, ingekomen bij de griffie op 3 februari
2023;
- het mailcontact tussen de man en het deskundigenbureau van de rechtbank van
23 oktober 2023;
- het rapport van Verilabs van 3 november 2023, ingekomen bij de griffie op 10
november 2023;
- het door mr. Matze op 5 december 2023 ingediende F9-formulier;
1.2
Het verzoek is nader mondeling behandeld op 21 december 2023. Bij die gelegenheid is verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Tevens waren aanwezig de bijzondere curator en een vertegenwoordigster namens de Raad.
Alhoewel correct opgeroepen is de man niet verschenen.
2De verdere beoordeling
Vaststelling vaderschap
2.1.
Bij beschikking van 28 november 2023 is een DNA-onderzoek gelast ter beantwoording van de vraag of de man, [de man] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1992, de biologische vader is van de [minderjarige], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017. Verilabs Nederland B.V. is benoemd tot deskundige.
2.2.
Verilabs heeft gerapporteerd. Uit de rapportage blijkt dat de man met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader is van de [minderjarige].
2.3.
Ingevolge artikel 1:207 van het BW kan - voor zover hier van belang - het vaderschap van een man op de grond dat deze de verwekker is van het kind door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van de moeder.
2.4.
De bijzondere curator heeft geadviseerd om het verzoek tot vaststelling van het vaderschap van de man toe te wijzen. De vrouw is ontvankelijk in haar verzoek en er wordt voldaan aan het wettelijke vereiste dat de man de verwekker moet zijn van [minderjarige]. Het uitgangspunt is dat het voor het kind heel belangrijk is om te weten wie haar vader is en de bijzondere curator ziet geen bezwaren in een toewijzing van het verzoek om op die manier de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie.
2.5.
Namens de Raad is tevens geadviseerd om het verzoek toe te wijzen. Daarbij is benadrukt dat het belangrijk is dat de moeder blijft inzetten op statusvoorlichting, zodat [minderjarige] weet wie haar vader is.
2.6.
De rechtbank overweegt als volgt.Op grond van de resultaten van het DNA-onderzoek staat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. Daarmee wordt voldaan aan het wettelijke vereiste voor de vaststelling van het vaderschap op grond van artikel 1:207 BW. Nu de rechtbank voorts niet is gebleken van wettelijke gronden die aan toewijzing van het verzoek in de weg staan, zal zij het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap toewijzen. Gelet op de toezegging van de moeder vertrouwt de rechtbank er op dat zij [minderjarige] op passende wijze zal (blijven) informeren over haar biologische vader.
Kosten deskundigenonderzoek
2.7.
Blijkens de nota van Verilabs van 9 november 2023 bedragen de kosten van het deskundigenonderzoek in totaal € 685,-. Bij beschikking van 28 november 2022 heeft de rechtbank bepaald dat het voorschot voor de kosten van het deskundigenonderzoek vooralsnog ten laste van ’s-Rijks kas worden gebracht en dat de rechtbank bij eindbeschikking aan de hand van de alsdan bekende feiten en omstandigheden een definitieve beslissing zal nemen over de vraag ten laste van wie deze kosten moeten worden gebracht. Nu het in familie gerelateerde zaken gebruikelijk is dat de kosten gecompenseerd worden, geldt, op grond van artikel 244 lid 2 RV, als uitgangspunt dat de rechter vaststelt welk deel van de kosten van de deskundige ieder van de partijen dient te dragen. De wet laat geen ruimte om die kosten voor ’s Rijks kas te laten komen.
2.8.
De rechtbank acht het redelijk dat de man en de moeder ieder de helft van de aan het deskundigenonderzoek verbonden kosten dragen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Hoewel de moeder het verzoek heeft ingediend, hebben beide partijen belang bij het deskundigenonderzoek gehad, om definitief en onbetwist duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of de man al dan niet de verwekker van de minderjarige is. De man voert geen verweer tegen het verzoek, waardoor hij naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij die op grond daarvan de kosten voor het deskundigenonderzoek zou moeten dragen. In procedures omtrent familierechtelijke kwesties is gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen. De rechtbank ziet, gelet op dit uitgangspunt en met inachtneming van het hiervoor overwogene, aanleiding om vast te stellen dat de man en de moeder beiden de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek dienen te dragen. Nu de voor rekening van de man en de moeder komende kosten in debet zijn gesteld en door de griffier zijn voorgeschoten, zal hierna worden bepaald dat de man en de moeder ieder alsnog een bedrag van € 342,50 aan de rechtbank dienen te voldoen op na te melden wijze.
Bijzondere curator
2.9.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure – in eerste aanleg – daarom als beëindigd.
Dictum
De rechtbank
3.1.
stelt vast dat [de man] , geboren op [geboortedag 2] 1992 te [geboorteplaats 2] , de vader is van [minderjarige], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017;
3.2.
verstaat dat de griffier – op grond van artikel 1:20e lid 1 BW – niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.
3.3.
veroordeelt de man en de moeder beiden tot betaling van de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek, zijnde een bedrag van € 342,50 ieder, aan de griffier van de rechtbank, die deze kosten voorgeschoten heeft;
3.4.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2024 in tegenwoordigheid van mr. Van Ginneke, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.