Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-14
ECLI:NL:RBZWB:2024:8255
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,557 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/426722 / JE RK 24-1680
Datum uitspraak: 14 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen de GI, ook wel als JBB aangeduid,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. R.E. Teusink,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 september 2024;
de op 8 oktober 2024 ontvangen brief van de advocaat van de vader.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en haar advocaat;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
De vader en zijn advocaat zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens de vader heeft zijn advocaat langs schriftelijke weg van zijn standpunt doen blijken.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 november 2023 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 16 november 2024.
3Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4Het standpunt van de GI
4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat de ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd om de navolgende doelstellingen te realiseren:
- de ouders belasten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet met negatieve, diskwalificerende
uitspraken over de andere ouder en zij belasten hen ook niet met
volwassen zaken;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen in beide opvoedsituaties voldoende structuur,
grenzen, voorspelbaarheid en ruimte tot ontwikkeling geboden; de ouders
zijn voorspelbaar, evenwichtig en betrouwbaar in de opvoeding;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen hun emoties benoemen en op passende wijze
uiten in beide opvoedsituaties.
4.2.
Er is in het afgelopen jaar veel gebeurd. De moeder heeft positieve stappen gezet, die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten goede zijn gekomen. De moeder heeft een enorme groei laten zien en zij handelt in het belang van haar kinderen. Ook staat zij positief tegenover de vader vanuit zijn rol als ouder in het leven van de kinderen. Zij (h)erkent ook haar eigen valkuilen en is daarnaast lerende om daarin haar grenzen te bewaken. In juni 2024 is de hulpverlening vanuit [jeugdbegeleiding] aan de moeder positief afgesloten. [minderjarige 2] is op zijn verzoek aangemeld voor hulpverlening bij BobCoaching om beter in zijn vel te komen zitten. [minderjarige 1] heeft hulpverlening vanuit 4MB, die hij als positief ervaart.
4.3.
Bij de vader heeft de situatie zich anders ontwikkeld. [jeugdbegeleiding] heeft in oktober 2023 besloten de hulpverlening aan de vader en de stiefmoeder te stoppen. [jeugdbegeleiding] wees daarbij op de ontbrekende intrinsieke motivatie bij vader en stiefmoeder, de andere zienswijze van de vader voor wat betreft de opvoedingsaanpak en het ontbreken van mogelijkheden om te komen tot constructieve gesprekken tussen de ouders. Aan de vader is op 8 februari 2024 een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing gestuurd, waarop door hem niet is gereageerd. Vervolgens is aan hem een schriftelijke aanwijzing gestuurd - kort samengevat - ertoe strekkende dat hij in het kader van de ondertoezichtstelling de noodzakelijke samenwerking met Jeugdbescherming Brabant aan zal gaan, zodat er zicht kan komen op zijn opvoedsituatie, de ingezette hulpverlening wordt gecontinueerd en de zorgelijke signalen over de veiligheid kunnen worden weggenomen. Concreet betekent dit dat door hem de geplande afspraken (behoudens gevallen van ziekte of overmacht) worden nagekomen en door hem uiterlijk binnen drie werkdagen schriftelijk op de berichten vanuit JBB wordt gereageerd.
4.4.
Na de ontvangst van de schriftelijke aanwijzing hebben de vader en de stiefmoeder zich gehouden aan de gemaakte belafspraak. Besloten werd daarom de vader en stiefmoeder nog een laatste kans te geven de opvoedsituatie positief te veranderen door middel van het naleven van de schriftelijke aanwijzing en het meewerken aan de noodzakelijke hulpverlening, te weten de inzet van intensieve behandeling in het gezin in de vorm van MST-CAN. De vader en de stiefmoeder hebben aanvankelijk ingestemd met een aanmelding bij MST-CAN. De GI heeft daarom besloten vooralsnog geen verzoek tot bekrachtiging schriftelijke aanwijzing in te dienen. Na de aanmelding in maart 2024 werden door vader en stiefmoeder afspraken met MST-CAN en JBB met grote regelmaat niet nagekomen, waardoor de hulpverlening en - nog belangrijker- de gewenste verandering niet tot stand kwam. Daarbij komt dat op 10 juli 2024 in de ochtend bij de vader thuis een inval heeft plaats gevonden door het arrestatieteam van de politie. De vader is opgepakt en heeft gedurende vijf weken in voorarrest doorgebracht. Onduidelijk is, sinds de vader uit het voorarrest is ontslagen, of er nog verdere strafvervolging zal volgen. De vader biedt daarover geen openheid.
4.5.
Gedurende de periode waarin de vader in voorarrest doorbracht belde hij veel met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en heeft hij verwachtingen gewekt door middel van toezeggingen die hij hen heeft gedaan. De jongens hoopten en dachten de vader na zijn vrijlating snel te zullen zien. Dit is echter niet gebeurd. Ook nam de vader geen contact op met de GI om te komen tot (andere) afspraken voor omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Die situatie deed [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veel verdriet. Gezien de toegenomen zorgen sinds de politie inval in de situatie van de vader is besloten dat de kinderen niet langer bij hem konden verblijven en is de GI met de ouders in overleg gegaan om te bespreken op welke andere wijze er contact tussen de vader en de kinderen kan plaats vinden. Hoewel dit heeft geresulteerd in een aantal concrete afspraken zijn, afgezien van een enkel contact op een andere neutrale locatie, afspraken daarover door de vader onvoldoende nagekomen. De vader lijkt momenteel vooral in de ‘overlevingsstand’ te verkeren. Er worden door hem zelf geen initiatieven ondernomen om contact tussen hem en de kinderen verantwoord en veilig op andere wijze te laten plaats vinden. Bovendien biedt hij de GI geen gelegenheid om voldoende zicht te krijgen op de situatie uit oogpunt van veiligheid bij hem thuis.
4.6.
Het blijkt lastig, gezien het afsluiten van MST CAN wegens te geringe motivatie bij vader en stiefmoeder en de overige hiervóór beschreven omstandigheden, om met hen binnen het verplichtende karakter van de ondertoezichtstelling tot samenwerking te komen. Het ontbreekt daardoor in de situatie bij de vader thuis nog steeds aan stabiliteit, structuur en rust. Tevens zijn er zorgen over het ontbreken van basale zorg (hygiëne, voeding), financiële problematiek, criminele activiteiten door de vader en stiefmoeder (diefstal en vermoedens van drugsgebruik en -handel), contacten met politie en justitie en een gebrek aan emotionele beschikbaarheid en aandacht vanuit vader en stiefmoeder voor de kinderen. Daarnaast zijn er ruzies tussen vader en stiefmoeder en sterke vermoedens van huiselijk geweld (over en weer). Al deze zorgen opgeteld bij de onduidelijkheid over het vervolg van het strafrechte-lijk traject van de vader maken dat de GI concludeert dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd.
4.7.
De hiervóór beschreven situatie en de daarin ontstane patronen zorgen ervoor dat op de schouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een ingewikkelde taak rust. Desondanks laten zij zien dat zij de afzonderlijke situaties bij de moeder en bij de vader van elkaar weten te (onder)scheiden. Wel missen beide kinderen nadrukkelijk oprechte aandacht en betrokkenheid van hun vader en dienen zij gesterkt te worden in hoe zij zich tot beide ouders en de uiteenlopende opvoedingssituaties (kunnen) verhouden. Daarom wordt voor beide kinderen de inzet van individuele hulp geadviseerd om hen te sterken in hun spannings- en emotieregulatie en - indien mogelijk - verwerking van gebeurtenissen in het verleden. [minderjarige 2] zal daartoe door [jeugdbegeleiding] worden begeleid, [minderjarige 1] krijgt behandeling via 4MB, met welke instantie hij erg vertrouwd is.
Beoordeling
8.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor ondertoezichtstelling nog steeds wordt voldaan. Hiertoe neemt de kinderrechter in aanmerking dat de moeder met een door haar gevolgd hulpverleningstraject via [jeugdbegeleiding] een belangrijke groei heeft doorgemaakt, die ten voordele strekt van de ontwikkeling en de belangen in pedagogisch en opvoedkundig opzicht van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast zijn er voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] afzonderlijke hulpverleningstrajecten ingezet. Verder is gebleken dat de moeder zich geheel meewerkend opstelt om ervoor te zorgen dat beide kinderen een structureel en onbelast contact met hun vader kunnen onderhouden. Echter verloopt dit momenteel moeizaam, deels door te weinig samenwerking tussen de vader, stiefmoeder en de hulpverlening, onvoldoende emotionele beschikbaarheid van de vader en de stiefmoeder naar de kinderen toe en deels door zorgen over de situatie bij de vader ten aanzien van stabiliteit, de beschikbaarheid van basale voorzieningen en veiligheid, het laatste wegens vermoedens van middelengebruik en/of huiselijk geweld en/of criminele activiteiten. Op dit moment is niet voorzienbaar dat er in de situatie van de vader binnen afzienbare tijd verbetering zal komen. Bovendien is (nog steeds) onduidelijk of, na de vijf weken die de vader in voorarrest heeft doorgebracht, er nog verdere strafvervolging zal volgen.
8.2.
In het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acht de kinderrechter voortgezette hulpverlening in een verplicht kader voor een periode van één jaar nog noodzakelijk, zodat de komende periode gevolgd zal kunnen blijven worden op welke wijze contact tussen hen en de vader mogelijk/verantwoord is. De GI is daarin op dit moment nog zoekende, echter verwacht zij dat er binnen die periode een modus zal zijn gevonden die in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en die voor alle betrokkenen werkbaar is. Indien dit na verloop van bedoelde periode onverhoopt anders mocht zijn ligt het op de weg van de GI om zich ofwel te beraden over het indienen van een verzoek tot (beperkte) verlenging van de ondertoezichtstelling, ofwel te zoeken naar mogelijkheden om de dan nog noodzakelijke hulpverlening in een vrijwillig kader te laten doorlopen.
8.3.
Met inachtneming van het vorenstaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW).
8.4.
De kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregel, de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat die beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
8.5.
Tijdens het kindgesprek hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beiden aangegeven dat zij willen dat de beslissing in deze zaak door de kinderrechter via een brief aan hen wordt medegedeeld. De inhoud van de brief van de kinderrechter aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] luidt als volgt:
“Beste [minderjarige 1] ,
Op 14 november ben je op de rechtbank geweest, en heb ik met je gepraat. Jij en je broer vertelden dat jullie het goed vinden als [naam 1] en [naam 2] langer blijven helpen. Ook vertelden jullie samen dat jullie het fijn vinden als papa aandacht heeft voor jullie en niet op zijn telefoon zit.
Ik heb ook met [naam 1] , [naam 2] , je moeder en haar advocaat gepraat. Je vader en zijn advoaat hebben een brief gestuurd met hun mening. Mijn beslissing is nu dat [naam 1] en [naam 2] inderdaad langer blijven helpen. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling langer gaat duren. Dat is een jaar langer, dus tot 16 november 2025. [naam 1] en [naam 2] gaan ook kijken wat een goede manier is dat je je vader kunt zien.
Ik hoop dat het zo duidelijk is voor je. Ik hoop ook dat je met je team de basketbalwedstrijd had gewonnen! Veel succes verder op school, thuis en op de basketbal.
Met vriendelijke groet,
mr. Tempel, kinderrechter.”
“Beste [minderjarige 2] ,
Op 14 november ben je op de rechtbank geweest, en heb ik met je gepraat. Jij en je broer vertelden dat jullie het goed vinden als [naam 1] en [naam 2] langer blijven helpen. Ook vertelden jullie samen dat jullie het fijn vinden als papa aandacht heeft voor jullie en niet op zijn telefoon zit.
Ik heb ook met [naam 1] , [naam 2] , je moeder en haar advocaat gepraat. Je vader en zijn advoaat hebben een brief gestuurd met hun mening. Mijn beslissing is nu dat [naam 1] en [naam 2] inderdaad langer blijven helpen. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling langer gaat duren. Dat is een jaar langer, dus tot 16 november 2025. [naam 1] en [naam 2] gaan ook kijken wat een goede manier is dat je je vader kunt zien.
Ik hoop dat het zo duidelijk is voor je. Ik hoop ook dat je met je team de basketbalwedstrijd had gewonnen! Veel succes verder op school, thuis en op de basketbal.
Met vriendelijke groet,
mr. Tempel, kinderrechter.”
Dictum
De kinderrechter:
9.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van
16 november 2024 tot 16 november 2025;
9.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr Tempel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024, in aanwezigheid van Baremans als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 27 november 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.