Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-14
ECLI:NL:RBZWB:2024:8099
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
6,390 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/427735 / JE RK 24-1878
Datum uitspraak: 14 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de (stief)moeder]
,
hierna te noemen de (stief)moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S.E.C. Segeren-Krijnen te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2]
,
beiden worden hierna samen ook aangeduid met de ouders.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in zijn beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 oktober 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- mr. Segeren-Krijnen namens de (stief)moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De (stief)moeder is, met bericht, niet in persoon verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft hierover op
8 november 2024 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De vader en de (stief)moeder zijn een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Deze registratie is inmiddels ontbonden.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2024 is het gezag van de biologische moeder van [minderjarige 1] , te weten mevrouw [naam] , beëindigd en is de (stief)moeder samen met de vader belast met het gezag over [minderjarige 1] .
2.3.
[minderjarige 2] is een biologisch kind van de vader en de (stief)moeder. Beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij (stief)moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4De standpunten
4.1.
De Raad legt aan zijn verzoek het navolgende ten grondslag. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich leeftijdsadequaat. Hun ontwikkelingsbedreiging is er met name in gelegen dat het tussen ouders ontbreekt aan een constructieve samenwerking en communicatie. Dit ten gevolge van ex-partnerproblematiek en emotieregulatie-problematiek aan de zijde van de vader. Daarbij zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] opgegroeid in een omgeving waar sprake was van huiselijk geweld. Momenteel is op grond van een kortgedingvonnis van 7 augustus 2024 sprake van een locatie- en contactverbod van de vader ten opzichte van de (stief)moeder voor de duur van een jaar. De Raad heeft de zorg dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet de mogelijkheid zullen hebben om beide ouders een plek in hun leven te mogen geven. Sinds juni 2024 is, op een eenmalig contact in augustus 2024 na, elke omgang tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgebleven. Naar de mening van de Raad is het aan de GI om binnen een ondertoezichtstelling te gaan onderzoeken op welke wijze contactherstel kan plaatsvinden, in het tempo van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Positief daarbij is volgens de Raad dat er bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeker een wens ligt voor contact met hun vader. Daarna dient de GI te gaan werken aan onder meer verbetering van de oudercommunicatie.
4.2.
[minderjarige 1] vertelt aan de kinderrechter dat hij openstaat voor contact met zijn vader en dat hij tegen een ondertoezichtstelling geen bezwaar heeft. Waarom het contact tussen hen verbroken is, weet [minderjarige 1] niet. Hij heeft eenmaal per twee weken omgang met zijn biologische moeder.
4.3.
De (stief)moeder is het eens met het verzoek. Haar advocaat benadrukt dat de (stief)moeder openstaat voor omgangscontacten tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar wel op een verantwoorde/veilige manier. Naar de mening van de (stief)moeder zal dat dan in eerste instantie begeleid moeten, maar wil de vader dat niet. De advocaat merkt daarbij op dat in het voormelde kortgedingvonnis, gezien het lopende locatie- en contactverbod, voor wat betreft de omgang ruimte voor omgang is opengelaten.
4.4.
De vader brengt naar voren dat in zijn ogen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de (stief)moeder geen veilige basis hebben om te wonen, maar dat hij daar verder niet tussen gaat zitten. Volgens de vader houdt hij zich aan het locatie- en contactverbod. Met hemzelf gaat het op dit moment niet zo goed. De vader heeft zich nog niet kunnen herpakken. Sinds drie weken is de vader bij een psycholoog in behandeling. Met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wil de vader erg graag contact. De vader verklaart daarbij pertinent niet open te staan voor begeleide omgang. Met het verzoek tot ondertoezichtstelling is de vader het eens. Naar zijn mening betrekken de (stief)moeder en de oma, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] teveel bij volwassenproblematiek.
4.5.
De GI verklaart het verzoek tot ondertoezichtstelling te ondersteunen. Zij merkt daarbij op dat indien de kinderrechter de ondertoezichtstelling zal uitspreken de maatregel, gelet op de aanwezige wachtlijst, in eerste instantie zal worden uitgevoerd door het zogenoemde “instroomteam”. Dit kan alvast de benodigde hulp in gang zetten.
Een vaste jeugdbeschermer zal pas wat later worden aangesteld.
Beoordeling
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat tussen de ouders sprake is van een ex-partnerstrijd. Een van de grote en zorgelijke gevolgen hiervan is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels sinds juni 2024 hun vader niet meer hebben gezien. Een zorg daarbij is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , toen de ouders nog bijeen waren, in de thuissituatie getuige zijn geweest van huiselijk geweld. Mede ten gevolge hiervan is de vader het voormelde locatie- en contactverbod opgelegd. Gezien de voortdurende ouderstrijd, de verbreking van de omgangscontacten met hun vader en het huiselijke geweld, worden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling bedreigd.
5.3.
Gezien de ernst van de ouderstrijd wordt niet verwacht dat de ouders met hulpverlening op vrijwillige basis zelfstandig in staat zullen zijn om de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te wenden. Zo staat de (stief)moeder voor dat in het traject naar contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de omgangscontacten in eerste instantie begeleid zullen gaan plaatsvinden, terwijl de vader dat pertinent niet wil. Het is aan de GI om daarin de regie te gaan nemen en de beslissingen te nemen die het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het meest zullen gaan dienen. Een maatregel binnen het gedwongen kader wordt daarom noodzakelijk geacht.
5.3.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW. De kinderrechter zal daarom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
5.4.
Als hulpverleningsdoelen binnen de ondertoezichtstelling worden onder meer de volgende doelen aangemerkt:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een stabiele en veilige opvoedingsomgeving, waarin zij niet belast worden met communicatie- en samenwerkingsproblemen tussen de ouders;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen de kans om op een positieve en onbelaste manier contact te hebben en een band te onderhouden met beide ouders;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verwerken gebeurtenissen uit het verleden en ervaren de ruimte om emoties, gedachten en wensen/behoeften ten aanzien van het contact met de ouders te uiten;
- De ouders werken mee aan hulpverlening voor zichzelf en maken, met hulpverlening, afspraken over een zorg- en contactregeling en over de wijze van samenwerking/communicatie ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- De omgang tussen [minderjarige 1] en zijn biologische moeder dient te worden gecontinueerd.
5.5.
Gezien de aard van de beslissing zal die in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
5.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met ingang van 14 november 2024 tot 14 november 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 28 november 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/427735 / JE RK 24-1878
Datum uitspraak: 14 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de (stief)moeder]
,
hierna te noemen de (stief)moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S.E.C. Segeren-Krijnen te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2]
,
beiden worden hierna samen ook aangeduid met de ouders.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in zijn beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 oktober 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- mr. Segeren-Krijnen namens de (stief)moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De (stief)moeder is, met bericht, niet in persoon verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft hierover op
8 november 2024 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De vader en de (stief)moeder zijn een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Deze registratie is inmiddels ontbonden.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2024 is het gezag van de biologische moeder van [minderjarige 1] , te weten mevrouw [naam] , beëindigd en is de (stief)moeder samen met de vader belast met het gezag over [minderjarige 1] .
2.3.
[minderjarige 2] is een biologisch kind van de vader en de (stief)moeder. Beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij (stief)moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4De standpunten
4.1.
De Raad legt aan zijn verzoek het navolgende ten grondslag. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich leeftijdsadequaat. Hun ontwikkelingsbedreiging is er met name in gelegen dat het tussen ouders ontbreekt aan een constructieve samenwerking en communicatie. Dit ten gevolge van ex-partnerproblematiek en emotieregulatie-problematiek aan de zijde van de vader. Daarbij zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] opgegroeid in een omgeving waar sprake was van huiselijk geweld. Momenteel is op grond van een kortgedingvonnis van 7 augustus 2024 sprake van een locatie- en contactverbod van de vader ten opzichte van de (stief)moeder voor de duur van een jaar. De Raad heeft de zorg dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet de mogelijkheid zullen hebben om beide ouders een plek in hun leven te mogen geven. Sinds juni 2024 is, op een eenmalig contact in augustus 2024 na, elke omgang tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgebleven. Naar de mening van de Raad is het aan de GI om binnen een ondertoezichtstelling te gaan onderzoeken op welke wijze contactherstel kan plaatsvinden, in het tempo van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Positief daarbij is volgens de Raad dat er bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeker een wens ligt voor contact met hun vader. Daarna dient de GI te gaan werken aan onder meer verbetering van de oudercommunicatie.
4.2.
[minderjarige 1] vertelt aan de kinderrechter dat hij openstaat voor contact met zijn vader en dat hij tegen een ondertoezichtstelling geen bezwaar heeft. Waarom het contact tussen hen verbroken is, weet [minderjarige 1] niet. Hij heeft eenmaal per twee weken omgang met zijn biologische moeder.
4.3.
De (stief)moeder is het eens met het verzoek. Haar advocaat benadrukt dat de (stief)moeder openstaat voor omgangscontacten tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar wel op een verantwoorde/veilige manier. Naar de mening van de (stief)moeder zal dat dan in eerste instantie begeleid moeten, maar wil de vader dat niet. De advocaat merkt daarbij op dat in het voormelde kortgedingvonnis, gezien het lopende locatie- en contactverbod, voor wat betreft de omgang ruimte voor omgang is opengelaten.
4.4.
De vader brengt naar voren dat in zijn ogen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de (stief)moeder geen veilige basis hebben om te wonen, maar dat hij daar verder niet tussen gaat zitten. Volgens de vader houdt hij zich aan het locatie- en contactverbod. Met hemzelf gaat het op dit moment niet zo goed. De vader heeft zich nog niet kunnen herpakken. Sinds drie weken is de vader bij een psycholoog in behandeling. Met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wil de vader erg graag contact. De vader verklaart daarbij pertinent niet open te staan voor begeleide omgang. Met het verzoek tot ondertoezichtstelling is de vader het eens. Naar zijn mening betrekken de (stief)moeder en de oma, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] teveel bij volwassenproblematiek.
4.5.
De GI verklaart het verzoek tot ondertoezichtstelling te ondersteunen. Zij merkt daarbij op dat indien de kinderrechter de ondertoezichtstelling zal uitspreken de maatregel, gelet op de aanwezige wachtlijst, in eerste instantie zal worden uitgevoerd door het zogenoemde “instroomteam”. Dit kan alvast de benodigde hulp in gang zetten.
Een vaste jeugdbeschermer zal pas wat later worden aangesteld.
Beoordeling
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat tussen de ouders sprake is van een ex-partnerstrijd. Een van de grote en zorgelijke gevolgen hiervan is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels sinds juni 2024 hun vader niet meer hebben gezien. Een zorg daarbij is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , toen de ouders nog bijeen waren, in de thuissituatie getuige zijn geweest van huiselijk geweld. Mede ten gevolge hiervan is de vader het voormelde locatie- en contactverbod opgelegd. Gezien de voortdurende ouderstrijd, de verbreking van de omgangscontacten met hun vader en het huiselijke geweld, worden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling bedreigd.
5.3.
Gezien de ernst van de ouderstrijd wordt niet verwacht dat de ouders met hulpverlening op vrijwillige basis zelfstandig in staat zullen zijn om de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te wenden. Zo staat de (stief)moeder voor dat in het traject naar contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de omgangscontacten in eerste instantie begeleid zullen gaan plaatsvinden, terwijl de vader dat pertinent niet wil. Het is aan de GI om daarin de regie te gaan nemen en de beslissingen te nemen die het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het meest zullen gaan dienen. Een maatregel binnen het gedwongen kader wordt daarom noodzakelijk geacht.
5.3.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW. De kinderrechter zal daarom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
5.4.
Als hulpverleningsdoelen binnen de ondertoezichtstelling worden onder meer de volgende doelen aangemerkt:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een stabiele en veilige opvoedingsomgeving, waarin zij niet belast worden met communicatie- en samenwerkingsproblemen tussen de ouders;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen de kans om op een positieve en onbelaste manier contact te hebben en een band te onderhouden met beide ouders;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verwerken gebeurtenissen uit het verleden en ervaren de ruimte om emoties, gedachten en wensen/behoeften ten aanzien van het contact met de ouders te uiten;
- De ouders werken mee aan hulpverlening voor zichzelf en maken, met hulpverlening, afspraken over een zorg- en contactregeling en over de wijze van samenwerking/communicatie ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- De omgang tussen [minderjarige 1] en zijn biologische moeder dient te worden gecontinueerd.
5.5.
Gezien de aard van de beslissing zal die in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
5.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met ingang van 14 november 2024 tot 14 november 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 28 november 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.