Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-27
ECLI:NL:RBZWB:2024:8089
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,330 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7317 WW
uitspraak van 27 november 2024 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [plaats], eiseres,
gemachtigde: mr. B.R.J. Rothuizen,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Heerlen), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het (rechtstreeks) beroep van eiseres tegen het aan de heer [naam] (ex-werknemer van eiseres) gerichte besluit van 7 juli 2021 (primaire besluit) tot voortzetting van zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 6 juli 2021.
1.1.
Eiseres heeft bij brief van 17 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en in haar bezwaarschrift aan het UWV verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep. Bij brief van 22 oktober 2024 heeft het UWV het bezwaarschrift ter behandeling als een (rechtstreeks) beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.
1.2.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Overwegingen
2. De rechtbank oordeelt dat het UWV ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3. In artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in beginsel tegen een besluit eerst bezwaar moet worden gemaakt bij het bestuursorgaan, alvorens beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. In artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb staat dat de indiener in het bezwaarschrift het bestuursorgaan kan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1.
4. Op grond van artikel 8:54a, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het bestuursorgaan kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Op grond van het tweede lid van dat artikel strekt in dat geval de uitspraak ertoe dat het bestuursorgaan het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt.
5. Doel van artikel 7:1a van de Awb is om bestuursrechtelijke geschilbeslechting waar mogelijk te vereenvoudigen en te verkorten. Het bieden van de mogelijkheid van het overslaan van de bezwaarschriftprocedure is, zo blijkt uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel, vooral bedoeld voor gevallen waarin in de primaire fase reeds een zodanig uitputtende gedachtewisseling tussen bestuur en belanghebbende heeft plaatsgevonden, dat de bezwaarschriftprocedure daaraan weinig of niets meer kan toevoegen, terwijl vaststaat dat het besluit nog altijd in geschil is. In die gevallen kan het overslaan van de bezwaarfase belangrijke tijdwinst opleveren en onnodige lasten voor bestuur en burger voorkomen. Gevallen waarin nog onvoldoende onderzoek naar de feiten is gedaan, lenen zich vanzelfsprekend niet voor rechtstreeks beroep.
6. De rechtbank oordeelt dat in deze zaak in de primaire fase niet een zodanig uitputtende gedachtewisseling heeft plaatsgevonden dat de bezwaarschriftenprocedure daaraan weinig of niets meer kan toevoegen. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat de bevoegdheid ter zake van de beslissing op (de ontvankelijkheid van) het bezwaarschrift bij het UWV ligt. Het UWV heeft dan ook ten onrechte het bezwaarschrift naar de rechtbank doorgezonden ter behandeling als beroepschrift.
7. Omdat het UWV ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep zal de rechtbank gebruik maken van haar bevoegdheid ingevolge artikel 8:54a Awb om in de fase van het vooronderzoek het onderzoek te sluiten. De rechtbank bepaalt dat het UWV het bezwaarschrift dient te behandelen en zal het bezwaarschrift daartoe naar het UWV doorzenden.
8. Aangezien het UWV ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep, bepaalt de rechtbank met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 371,- vergoedt.
9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding, omdat over de tot nu toe gemaakte kosten in het kader van de bezwaarschriftprocedure een beslissing kan worden genomen.
Dictum
De rechtbank:
- draagt het UWV op om het beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling te nemen;
- gelast dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 371,‒ vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 27 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 8:54a van de Awb maakt dit mogelijk.
Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2000/01, 27 563, nr. 3.