Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-26
ECLI:NL:RBZWB:2024:8060
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
1,015 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6874
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 november 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.J.G. Ensink),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de aan hem gerichte besluiten van het college van 28 augustus 2024, 2 september 2024 en 2 oktober 2024 (de bestreden besluiten). Deze besluiten hebben betrekking op (ver)bouwwerkzaamheden in en aan het pand [adres 1] en [adres 2] te [plaats 2] . Met de besluiten zijn aan verzoeker een bouwstop en een last onder dwangsom opgelegd.
Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens het college deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] . Verzoeker en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. Nadat partijen zijn uitgenodigd voor de zitting, heeft het college de voorzieningenrechter bericht dat de bestreden besluiten zijn ingetrokken. Het college heeft daarbij een intrekkingsbesluit van 6 november 2024 overgelegd.
3. Het treffen van een voorlopige voorziening is alleen mogelijk als tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bodemprocedure (hoofdzaak) aanhangig is (connexiteitseis), bijvoorbeeld een bezwaarprocedure bij de gemeente.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit het intrekkingsbesluit van 6 november 2024 dat de bestreden besluiten zijn ingetrokken. Het college is in zoverre aan verzoeker tegemoetgekomen. Verzoeker heeft daarmee bereikt wat hij met zijn bezwaarprocedure kon bereiken. Dat betekent ook dat de voorzieningenrechter geen reden ziet voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
4. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van verzoeker of om het college op te dragen het betaalde griffierecht terug te betalen. Het college heeft ter zitting – onweersproken – toegelicht dat er een goede reden was voor het opleggen van de bouwstop en last onder dwangsom. Toegelicht is dat is geconstateerd dat er (ver)bouwwerkzaamheden in en aan een rijksmonument plaatsvonden zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning was verleend. Ook aan andere bouwregels werd volgens het college niet voldaan. Het college heeft toegelicht dat verzoeker na de bekendmaking van de bestreden besluiten en na het indienen van het bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening de geconstateerde overtredingen heeft opgeheven. De bestreden besluiten zijn dus niet ingetrokken om tegemoet te komen aan het door verzoeker ingediende verzoek om voorlopige voorziening, maar omdat het college tot de conclusie is gekomen dat verzoeker de geconstateerde overtredingen heeft opgeheven.
5. Een eventuele discussie over geleden schade en/of vergoeding van proceskosten voor de bezwaarfase kan door partijen in bezwaar verder worden gevoerd.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. de Roo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.