Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-20
ECLI:NL:RBZWB:2024:7993
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,331 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 10870096 \ CV EXPL 24-54
Vonnis van 20 november 2024
in de zaak van
1 [eiser sub 1] , H.O.D.N. [het advocatenkantoor] ,
te [plaats 1] ,2. [eiser sub 2] , H.O.D.N. [het advocatenkantoor],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [het advocatenkantoor] ,
gemachtigde: M. Rave,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 augustus 2024- de akte van [het advocatenkantoor]- de akte van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis is overwogen dat de kantonrechter voornemens is om het kostenbeding te vernietigen vanwege het oneerlijke karakter. Daarom heeft de kantonrechter aan [het advocatenkantoor] de gelegenheid geboden om zich uit te laten over de oneerlijkheid van het kostenbeding en daarbij ook toe te lichten of er voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst aan [gedaagde] informatie is versterkt over de verwachte tijdsbesteding, het totaal aan kosten, de mogelijke financiële gevolgen van de overeenkomst of dat er andere maatregelen zijn genomen om overschrijding van kosten te voorkomen teneinde het evenwicht tussen partijen te herstellen.
2.2.
[het advocatenkantoor] stelt dat zij in de opdrachtbevestiging het volgende heeft aangegeven:
Scenario 1: het zenden van een brief naar het bestuur
Scenario 2: het zenden van diezelfde brief naar het bestuur mét dreiging om een kort geding procedure te starten. De totale kosten voor zo’n kort geding procedure kunnen oplopen tot € 2.500,00 inclusief BTW.
Daarbij stelt [het advocatenkantoor] dat dit voldoende informatie is voor [gedaagde] om een inschatting te maken van de kosten die zijn gemoeid met de opdracht.
2.3.
De kantonrechter volgt [het advocatenkantoor] niet in deze zienswijze.. Vaststaat dat [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van scenario 1. Bij scenario 1 heeft [het advocatenkantoor] in de opdrachtbevestiging geen inzicht gegeven in de verwachte tijdsbesteding en het totaal aan kosten voor dit scenario. Dat [gedaagde] zou kunnen inschatten dat dit minder is dan € 2.500,00, zoals [het advocatenkantoor] aanvoert, leidt niet tot de conclusie dat het geschetste scenario transparant genoeg is. Het is voor [gedaagde] immers niet in te schatten hoeveel uur [het advocatenkantoor] besteedt aan het opstellen en verzenden van een brief naar het bestuur en welke kosten zijn verbonden aan een kort geding procedure. Het had op de weg van [het advocatenkantoor] gelegen om informatie te verstrekken over de verwachte tijdsbesteding van het zenden van de brief naar het bestuur en de kosten hiervan. Daar komt nog bij dat niet is gesteld of gebleken dat [het advocatenkantoor] vòòraf aan het sluiten van de overeenkomst enige informatie heeft verstrekt over de verwachte tijdsbesteding en het totaal aan kosten van de te verrichten werkzaamheden.
2.4.
Het bovenstaande betekent dat het kostenbeding gekwalificeerd moet worden als oneerlijk. Aangezien het kostenbeding oneerlijk is, wordt het vernietigd (artikel 6:233 aanhef en sub a BW).
2.5.
Het gevolg van de vernietiging van het kostenbeding is dat [gedaagde] in de situatie moet worden gebracht waarin hij zich zou hebben bevonden als het kostenbeding nooit overeengekomen was. Dit heeft tot gevolg dat het kostenbeding geacht wordt nooit te hebben bestaan. Omdat het kostenbeding bij een opdracht met een opdrachtnemer die handelt in de uitoefening van een beroep niet kan bestaan zonder loon, betekent dit dat de gehele opdracht vervalt. [gedaagde] is dan ook niet gehouden aan de uit het kostenbeding voortvloeiende betalingsverplichting en kan ook niet op basis van aanvullend recht tot betaling worden verplicht. De vordering van [het advocatenkantoor] wordt daarom volledig afgewezen.
2.6.
[het advocatenkantoor] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 100,00 aan verletkosten.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van [het advocatenkantoor] af,
3.2.
veroordeelt [het advocatenkantoor] in de proceskosten van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [het advocatenkantoor] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Borm en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2024.