Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-17
ECLI:NL:RBZWB:2024:7727
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,476 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/411372 / FA RK 23-3115
datum uitspraak 17 oktober 2024
nadere beschikking over de ontzegging van de omgang
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. P.J.M. Groenhuis-Kools,
en
[de man]
,
zonder bekende woon-/verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. G. Demir.
1. Het verdere procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van 22 december 2023 met alle daarin vermelde stukken;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) van 22 maart 2024 met als bijlage het raadsrapport;
- het F9-formulier van mr. Groenhuis-Kools van 4 april 2024;
- het F9-formulier van mr. Demir van 23 april 2024.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 3 oktober 2024. Bij die gelegenheid is de vrouw verschenen. Zij werd bijgestaan door haar advocaat. Verder was aanwezig de advocaat van de man en een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3. Ondanks dat de man behoorlijk is opgeroepen, is hij niet op de mondelinge behandeling verschenen. Mr. Demir heeft aangegeven dat de man nog in detentie zit.
2De verdere beoordeling
2.1.
In de beschikking van 22 december 2023 heeft de rechtbank bepaald dat het gezag over de [minderjarige] voortaan alleen aan de vrouw toekomt. Daarnaast is het recht van de man op omgang met [minderjarige] ontzegt voor de duur van het raadsonderzoek en totdat anders wordt beslist in deze procedure. Aan de Raad is verzocht om een onderzoek in te stellen naar het contact tussen de man en [minderjarige] . De definitieve beslissing op het verzoek tot ontzegging van de omgang is aangehouden.
2.2.
Op 22 maart 2024 heeft de Raad zijn raadsrapport ingediend. De Raad concludeert dat het ingewikkeld is om de omgang tussen de man en [minderjarige] structureel te laten verlopen. Het lukt de man niet om zijn leven dusdanig (langdurig) op de rit te krijgen, zodat hij voor [minderjarige] een voorspelbare en betrouwbare ouder kan zijn. Ook lukt het de hulpverlening niet om de man goed te betrekken. De Raad hecht veel waarde aan het belang van [minderjarige] om met beide ouders contact te hebben, maar de Raad ziet ook risico’s in de schade die het [minderjarige] toebrengt wanneer haar vertrouwen steeds wordt geschaad. Daarnaast komt uit de informatie van het Centrum voor Jeugd & Gezin (CJG) naar voren dat het [minderjarige] geen goed doet wanneer de man contact zoekt. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat zij de ruimte krijgt en de veiligheid ervaart om haar behandeling bij [psycholoog] goed te doorlopen. Haar behandeling is gericht op verschillende gebieden, zoals traumaverwerking, hechting en systeembehandeling met de vrouw erbij. De Raad kan zich voorstellen dat er op termijn binnen dit behandeltraject aandacht komt voor de rol die de man kan spelen in het leven van [minderjarige] en wat zij hierin wil, nodig heeft en vraagt. Daarnaast moet het veilig zijn. Ook is het belangrijk dat de man in contact blijft met de jeugdprofessional en dat hij zicht geeft op zijn situatie. De man heeft aangegeven het fijn te vinden als er een plan van aanpak wordt gemaakt. Hiermee kan aan de slag worden gegaan. De Raad adviseert om het verzoek van de vrouw toe te wijzen. Daarnaast is het advies dat de vrouw (via de jeugdprofessional) de man één keer per vier maanden informeert over [minderjarige] . Op die manier blijft de man op de hoogte van de ontwikkelingen van [minderjarige] en kan hij, zodra hij weer een rol kan spelen in haar leven, bij haar aansluiten.
2.3.
De vrouw stemt in met het advies van de Raad. Op de mondelinge behandeling heeft zij toegelicht dat [minderjarige] een zware periode heeft gehad. De therapie bij [psycholoog] heeft veel van haar gevraagd, maar zij heeft grote stappen gezet. De therapie is nu afgesloten, maar de vrouw blijft in contact met de therapeut en het CJG. Om in de toekomst te komen tot contactherstel tussen de man en [minderjarige] is het belangrijk dat de man laat zien dat hij een stabiele vader kan zijn. Hij moet zijn leven op de rit krijgen. Daarnaast moet het contactherstel verantwoord en veilig zijn voor [minderjarige] .
2.4.
Op de mondelinge behandeling heeft mr. Demir aangegeven dat de man erkent dat zijn situatie niet stabiel is. Gemaakte fouten uit het verleden achtervolgen hem, maar hij betwist met klem dat sprake is geweest van seksueel overschrijdend gedrag. Wanneer de man uit detentie is, wil hij hard aan zichzelf werken. Hij wil een betrouwbare en stabiele vader zijn voor [minderjarige] . De man vreest dat bij een ontzegging van de omgang voor onbepaalde tijd de prikkel bij de vrouw ontbreekt om daadwerkelijk mee te werken met de hulpverlening om uiteindelijk te komen tot contactherstel. De man stelt primair dat geen omgangsregeling vastgesteld moet worden. Subsidiair is hij van mening dat de omgang voor een bepaalde periode moet worden ontzegd, te weten voor de duur van één jaar.
2.5.
De Raad heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat [minderjarige] niet onder druk moet worden gezet. Mocht blijken dat de man betrouwbaar is naar de hulpverlening en er komt een moment dat er een vorm van contact moet zijn, dan moet dit onder professionele begeleiding worden vormgegeven. De Raad benadrukt dat de man aan zet is.
2.6.
Op grond van artikel 1:377a, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank het recht op omgang ontzeggen, als:
a. omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang;
c. het kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen de omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
2.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] in haar jonge leven al veel heeft meegemaakt. Zij is getuige geweest van ruzies en heftige dynamiek tussen haar ouder. Uiteindelijk is het partijen in 2021 gelukt om met elkaar over [minderjarige] te communiceren en hebben zij een ouderschapsplan opgesteld. Vanaf dat moment is er een periode van rust geweest, maar hierin is in de afgelopen jaren verandering gekomen. Er heeft een heftige gebeurtenis plaatsgevonden op een moment dat [minderjarige] bij de man was en de man is in verschillende periodes niet in beeld geweest. Dit heeft het vertrouwen van [minderjarige] in de man ernstig geschaad. Ook is gebleken dat [minderjarige] angstige reacties liet zien op de momenten dat de man tegen het advies van het CJG contact opnam met de vrouw. De betrokken hulpverlening heeft vervolgens gesteld dat omgang tussen [minderjarige] en haar vader momenteel niet in haar belang is.
2.8.
Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de man aan zet is. Hij moet in contact komen en blijven met de hulpverlening en laten zien dat hij zijn leven langdurig stabiel kan houden. Voor [minderjarige] moet hij een voorspelbare en betrouwbare ouder worden en blijven. [minderjarige] heeft een intensief behandeltraject doorlopen bij [psycholoog] , waarbij zij grote stappen heeft gezet.
Dictum
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de man met ingang van heden het recht op omgang met de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] voor onbepaalde tijd wordt ontzegd;
3.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad
3.3.
compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2024.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.