Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-05
ECLI:NL:RBZWB:2024:7702
Strafrecht
Raadkamer
1,166 tokens
Dictum
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. B.M.C.F. de Groen advocaat te Breda, (Postbus 1878, 4801 BW Breda),
hierna te noemen: de verzoekster.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 3,253,29, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 78,78, voor vergoeding van reiskosten raadsman;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 9 februari 2024;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Namens verzoekster is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen.
De officier van justitie heeft zich in de herziene conclusie op het standpunt gesteld dat het verzoek kan worden toegewezen met dien verstande dat de door verzoekster gevraagde kilometervergoeding naar beneden wordt bijgesteld tot 0,28 cent per kilometer in plaats van de door verzoekster verzochte 0,32 cent per kilometer.
Verzoekster en officier van justitie hebben ingestemd met een pro-formabehandeling van het verzoekschrift, waarbij verzoekster en de advocaat niet in raadkamer hoeven te verschijnen
Op 22 oktober 2024 heeft het onderzoek door de openbare raadkamer plaatsgevonden. Hierbij was de officier van justitie, mr. R.S. Jacobs, aanwezig. Verzoekster en de advocaat zijn hierbij niet verschenen.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het door de raadsman verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand is in voldoende mate onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde reiskosten kunnen worden vergoed tot een bedrag van 0,28 cent de kilometer. Voor het overige komt de rechtbank de gevraagde vergoeding redelijk en billijk voor zodat de rechtbank een bedrag van € 3.309,85 zal toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift wordt het forfaitaire bedrag van € 340,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 3.649,85, bestaande uit:
- € 3.309,85 aan kosten van rechtsbijstand;
en
- € 340,00 de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 3.649,85 zal worden overgemaakt op rekeningnummer [iban ] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Gimbrère International Advocaten, onder vermelding van “ [kenmerk] ”.
Deze beslissing is op 5 november 2024 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 5 november 2024
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.