Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-08
ECLI:NL:RBZWB:2024:7665
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,424 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9529
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde [gemachtigde]),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Veere, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar met dagtekening 27 juli 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 15 februari 2023 onder meer de waarde van de onroerende zaak [adres] op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 56.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Veere voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende [gemachtigde] (verbonden aan Bezwaarmaker.nl). Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen. [naam 1] en [naam 2].
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld. Belanghebbende vindt dat de waarde van de garagebox op de waardepeildatum maximaal € 47.000 is. De heffingsambtenaar verdedigt de in de uitspraak op bezwaar gehandhaafde waarde van € 56.000.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de waarde van de onroerende zaak niet te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
De vaststelling van de WOZ-waarde
4. Naar vaste rechtspraak moet, indien een onroerende zaak kort voor of kort na de waardepeildatum is gekocht, er in de regel vanuit worden gegaan dat de waarde overeenkomt met de betaalde prijs. Dit is slechts anders indien de partij die het standpunt inneemt dat de waarde afwijkt van de betaalde prijs, feiten of omstandigheden stelt en aannemelijk maakt waaruit volgt dat de aankoopsom niet de waarde weergeeft.
4.1.
De heffingsambtenaar heeft (onbetwist) verklaard dat belanghebbende de garagebox in oktober 2017 heeft gekocht voor € 52.000. Gelet op de door belanghebbende destijds betaalde aankoopsom, is de waarde daarvan nu niet te hoog vastgesteld, zo stelt de heffingsambtenaar.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar gelet op de aankoopsom aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde de reële waarde op de waardepeildatum is. Weliswaar gaat het om een aankoop meer dan een jaar voor de waardepeildatum, maar gelet op de (positieve) marktontwikkeling sinds de aankoop acht de rechtbank niet aannemelijk dat de waarde van de garagebox op de waardepeildatum lager zou zijn dan de aankoopsom, zoals belanghebbende betoogt. Wat er ook zij van de vergelijkingsobjecten die belanghebbende aandraagt, belanghebbende geeft verder ook geen enkele onderbouwing voor zijn standpunt. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan te nemen dat de heffingsambtenaar onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd bij het vaststellen van de waarde of anderszins aan te nemen dat er sprake is geweest van enige waardeontwikkeling na de aankoop die een lagere waarde rechtvaardigt dan de vastgestelde waarde van € 56.000.
4.3.
Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde van de garagebox niet te hoog is vastgesteld. Wat belanghebbende overigens in beroep heeft aangevoerd, te weten een onjuiste berekening van de grootte van de garagebox, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beschikking en de aanslag OZB in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van de Langerijt-Suurmeijer, griffier op 8 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Hoge Raad 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8610.