Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-31
ECLI:NL:RBZWB:2024:7312
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,210 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/1747
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2024 in de zaak tussen
[verzoeker 1] V.O.F., uit [plaats 1] ,
[verzoeker 2] en [verzoekster 1], uit [plaats 1] ,
[verzoekster 2]
, uit [plaats 2] ,
samen, verzoekers,
(gemachtigde: mr. N.M.C.H. Crooijmans),
en
Het algemeen bestuur van waterschap Brabantse Delta (verweerder).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekers om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekers hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun beroep tegen het [projectplan] ( [deelgebied] ) van verweerder van 13 november 2023. Zij hebben het beroep ingetrokken omdat verweerder het projectplan op 26 juni 2024 heeft ingetrokken.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Op 31 juli 2024 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat verweerder bereid is om de proceskosten en het griffierecht te vergoeden conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hierbij merkt verweerder op dat het beroep geen aanleiding heeft gegeven voor het intrekkingsbesluit.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
1. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Hebben verzoekers recht op een vergoeding van de proceskosten?
3. Op 8 februari 2024 hebben verzoekers beroep ingesteld tegen het [projectplan] ( [deelgebied] ). Verweerder heeft dat projectplan op 26 juni 2024 ingetrokken. Verzoekers hebben het beroep op 18 juli 2024 ingetrokken, met een verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft de aanspraak op een vergoeding van de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht niet bestreden. Onder deze omstandigheden wordt aanleiding gevonden om verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75a van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het beroep hebben moeten maken.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoekers vergoeden?
4. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekers krijgen een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,-, omdat de gemachtigde van verzoekers een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgen verzoekers een vergoeding van het griffierecht?
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder ook heeft aangegeven bereid te zijn om het griffierecht van € 371,- te vergoeden. Verzoekers moeten zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 31 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).