Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-29
ECLI:NL:RBZWB:2024:7301
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,167 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11115
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 november 2023. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking 2023 met [aanslagnummer] voor het object [adres] te [plaats] .
2. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde niet de juiste machtiging heeft ingediend. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
4. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Is de juiste machtiging overgelegd?
5. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om het beroep in te stellen namens belanghebbende. De rechtbank heeft hem bij brief van 8 december 2023 verzocht dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Gesteld gemachtigde heeft op 2 januari 2024 een machtiging overgelegd, welke is ondertekend door [naam] .
6. De griffier heeft gesteld gemachtigde op 17 januari 2024 laten weten dat niet de juiste volmacht is overgelegd en nogmaals verzocht om een machtiging waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om het beroep in te stellen namens belanghebbende. Op 19 januari 2024 heeft gesteld gemachtigde gereageerd en dezelfde machtiging ingediend als op 2 januari 2024, namelijk een machtiging ondertekend door [naam] . Gesteld gemachtigde heeft dus geen machtiging overgelegd waaruit volgt dat hij in deze zaak als gemachtigde van belanghebbende mag optreden.
Is het niet indienen van een juiste machtiging verontschuldigbaar?
7. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.
Conclusie
8. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
Immateriële schadevergoeding en proceskosten
9. Nu niet is gebleken dat gesteld gemachtigde is gemachtigd om namens belanghebbende te procederen is naar het oordeel van de rechtbank gesteld gemachtigde ook niet bevoegd om namens belanghebbende een verzoek te doen om een immateriële schadevergoeding en een proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst de verzoeken dan ook af.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 29 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.