Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-02
ECLI:NL:RBZWB:2024:7078
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Bodemzaak
1,448 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11173245 \ CV EXPL 24-2230
Vonnis van 2 oktober 2024
in de zaak van
[naam] H.O.D.N. [eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Betalis B.V.,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.H.H.M. Roelofs.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 juni 2024, met producties;
- de incidentele conclusie inhoudende het verweer van onbevoegdheid, tevens houdende conclusie van antwoord met eis in reconventie in de hoofdzaak, met producties;
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
In de hoofdzaak:
2.1.
[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 23.274,28, vermeerderd met rente en kosten.
2.2.
[gedaagde] voert verweer.
2.3.
In reconventie vordert [gedaagde] om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen tot afgifte van goederen en tot betaling van € 8.366,70, vermeerderd met rente en kosten.
In het incident:
2.4.
[gedaagde] heeft de kantonrechter verzocht om zich in deze zaak onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de rechtbank Oost-Brabant, team kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch, met veroordeling van [eiser] in de proces- en nakosten.
2.5.
[eiser] concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident.
Beoordeling
3.1.
[eiser] stelt dat partijen zijn overeengekomen om de kantonrechter te Breda van onderhavig geschil te laten kennisnemen. De kantonrechter is echter van oordeel dat van een rechtsgeldige forumkeuze als bedoeld in artikel 108 Rv geen sprake is. Immers, uit de stukken blijkt niet dat partijen daarover overeenstemming hebben bereikt. Ook het feit dat [gedaagde] mogelijk een procedure aanhangig wilde maken tegen [eiser] bij de kantonrechter te Breda duidt daar niet op. In dat geval zou [eiser] namelijk de gedaagde partij zijn en zou de kantonrechter te Breda op grond van artikel 99 Rv de bevoegde rechter zijn, aangezien [eiser] [plaats 1] als woonplaats heeft. Uit de stellingen van partijen blijkt evenmin dat sprake is van misbruik van (proces)recht door [gedaagde] .
3.2.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat op grond van artikel 99 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de kantonrechter te ‘s-Hertogenbosch bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen. Immers, [gedaagde] (gedaagde partij) is gevestigd in [plaats 2] en dat is een gemeente die valt binnen het gebied van de kantonrechter te ‘s-Hertogenbosch.
3.3.
Op grond van het tweede lid van artikel 110 Rv zal de kantonrechter de zaak dan ook, in de stand waarin deze zich thans bevindt, verwijzen naar de relatief bevoegde kantonrechter.
3.4.
Aangezien het bepaalde in artikel 74 lid 1 en 3 eerste volzin Rv na verwijzing op de gang van zaken van toepassing is, is voor voortzetting van de procedure vereist dat één van partijen de andere partij bij exploot oproept en de zaak bij de kantonrechter naar wie verwezen is aanhangig maakt op een door hemzelf te kiezen rolzitting, waarbij de voor dagvaarding voorgeschreven termijnen in acht moeten worden genomen.
3.5.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
82,00
(1 punt × € 82,00)
- nakosten
€
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
123,00
Dictum
De kantonrechter
In het incident en in de hoofdzaak:
4.1.
verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de rechtbank Oost-Brabant, team kanton, locatie ’s-Hertogenbosch, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen voort te procederen.
In het incident:
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 123,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2024.